Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003921

Uitspraak BRS.26.003921

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5134
Datum uitspraak
3 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld. Betrokkene heeft op 25 juni 2026 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister deze aanvraag na behandeling in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Op 15 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het antwoord is bepalend voor de vraag of hij op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Anders dan de rechtbank komt de Afdeling in deze uitspraak tot de conclusie dat betrokkene na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, onder 2°, van de Vw 2000 tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit volgt uit artikel 68, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Dit betekent dat de minister betrokkene terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003921
ECLI:NL:RVS:2026:5134
Datum uitspraak: 3 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 24 juli 2026 in zaak nr. NL26.39758 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen met een kennisgeving ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.        Betrokkene heeft op 25 juni 2026 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister deze aanvraag na behandeling in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Op 15 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het antwoord is bepalend voor de vraag of hij op de juiste grondslag in bewaring is gesteld.

1.1.        Op deze zaak is het recht van toepassing dat geldt met ingang van 12 juni 2026. Het wettelijke kader en het beleid zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Samenvatting

2.        Anders dan de rechtbank komt de Afdeling in deze uitspraak tot de conclusie dat betrokkene na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, onder 2°, van de Vw 2000 tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit volgt uit artikel 68, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Dit betekent dat de minister betrokkene terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.

Hoger beroep minister

3.        De enige grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de bewaring op de verkeerde grondslag berust, omdat betrokkene procedureel rechtmatig verblijf heeft tijdens de beroepstermijn. De minister betoogt dat betrokkene op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening geen recht heeft om op het grondgebied van de lidstaten te blijven tijdens zijn beroep. Op grond van artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van die verordening wordt betrokkene niet verwijderd tijdens de beroepstermijn en, als hij tijdig om een voorlopige voorziening verzoekt, zo lang dat verzoek in behandeling is. Dit recht om niet te worden verwijderd geeft betrokkene echter, anders dan het geval is bij schorsende werking op grond van het tweede lid, geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, onder 2°, van de Vw 2000, aldus de minister. Artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn gaf verzoekers tijdens de beroepstermijn wel een recht om op het grondgebied te verblijven. Het wettelijke kader is volgens de minister dan ook niet gelijk aan het wettelijke kader dat gold ten tijde van de Procedurerichtlijn, waarover het Hof van Justitie uitleg heeft gegeven in het arrest van 19 juni 2018, Gnandi, ECLI:EU:C:2018:465, en in de beschikking van 5 juli 2018, C., J. en S., ECLI:EU:C:2018:544.

De tekst en systematiek van de Procedureverordening

3.1.        Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Procedureverordening worden de gevolgen van een terugkeerbesluit automatisch geschorst zolang een verzoeker overeenkomstig dit artikel het recht of de toestemming heeft om te blijven. Ingevolge het tweede lid van dat artikel heeft een verzoeker wiens asielaanvraag is afgewezen het recht op het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de beroepstermijn verstrijkt en, als hij op tijd beroep heeft ingesteld, in afwachting van de uitkomst van het beroep. Dit is de hoofdregel.

3.2.        Artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening maakt op deze hoofdregel een aantal uitzonderingen. Voor deze zaak is de uitzondering in het derde lid, aanhef en sub a, onder i, van belang. Op grond van die bepaling heeft een verzoeker, onverminderd het beginsel van non-refoulement, geen recht om te blijven op grond van het tweede lid, als de beslissingsautoriteit de aanvraag heeft afgewezen als ongegrond of kennelijk ongegrond in de versnelde behandelingsprocedure bedoeld in artikel 42, eerste of derde lid, van de Procedureverordening. Gelet op artikel 68, eerste lid, van die verordening betekent dat ook dat de gevolgen van het terugkeerbesluit in die situatie niet automatisch worden geschorst.

3.3.        Ingevolge artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening is een rechterlijke instantie in de situatie bedoeld in het derde lid bevoegd om, na een onderzoek van de feitelijke en juridische gronden, te beslissen of het beroep al dan niet schorsende werking moet krijgen. In Nederland is die rechterlijke instantie de voorzieningenrechter. Terwijl de beroepstermijn en de termijn voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening loopt (artikel 69, zesde lid, van de Vw 2000), mag de verzoeker niet uit Nederland worden verwijderd. Dit volgt uit artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening en artikel 7.3 van het Vb 2000.

3.4.        Het gegeven dat een betrokkene op grond van artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening niet mag worden verwijderd, brengt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, echter niet met zich dat hij het recht heeft om op het grondgebied van de lidstaten te blijven. Uit het derde lid van die bepaling volgt immers juist dat dit niet het geval is, tenzij de voorzieningenrechter dat overeenkomstig het vierde lid heeft beslist. Tot die tijd mag een vreemdeling weliswaar niet worden verwijderd, en geldt het beginsel van non-refoulement onverminderd, maar heeft hij ook geen rechtmatig verblijf. Deze keuze van de Uniewetgever heeft ook zijn weerslag gekregen in artikel 8, aanhef en onder h, onder 2°, van de Vw 2000. Daaruit volgt immers dat rechtmatig verblijf op grond van die bepaling alleen gebaseerd kan zijn op artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening (de hoofdregel), of op het vierde lid van die bepaling (een beslissing van de voorzieningenrechter).

Andere taalversies

3.5.        De uitleg van de systematiek van artikel 68, zoals hiervoor onder 3.1 tot en met 3.4 uiteengezet, ziet de Afdeling bevestigd in de Engelse, Franse en Duitse taalversies van de Procedureverordening. Ook die taalversies maken een onderscheid tussen het ‘recht om te blijven’ in artikel 68, eerste tot en met vierde lid (right to remain, droit de rester, Recht auf Verbleib), en ‘niet worden verwijderd’ in het vijfde lid onder d (shall not be removed, ne fait pas l’objet d’un éloignement, wird nicht abgeschoben).

Totstandkomingsgeschiedenis

3.6.        De minister betoogt verder terecht dat de totstandkomingsgeschiedenis van de Procedureverordening bevestigt dat de Uniewetgever er bewust voor heeft gekozen om in de situatie bedoeld in artikel 68, derde lid, geen schorsende werking te bieden tijdens de beroepstermijn. In een eerdere versie van artikel 68, toen nog genummerd artikel 54, werd in het vijfde lid, onder d, immers wel gesproken van een ‘recht om te blijven’ tijdens de beroepstermijn en in afwachting van een verzoek om voorlopige voorziening, net als in het eerste tot en met vierde lid. Zie het Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU van 23 september 2020, COM(2020) 611 final. Tijdens het wetgevingsproces is voorgesteld om de tekst van het vijfde lid, sub d, aan te passen naar ‘wordt niet verwijderd’. Zie het gewijzigde voorstel van 20 december 2022, 2016/0224(COD), 16261/22. Vervolgens is die aanpassing in een gewijzigd voorstel van 13 juni 2023 (2016/0224(COD), 10444/23) weer ongedaan gemaakt. Daarin staat immers weer dat sprake is van een ‘recht om op het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat te blijven’. In het gewijzigde voorstel van de Raad van 9 februari 2024 (2016/0224/A(COD), 6375/24) is de tekst van de bepaling, nu vernummerd naar artikel 69, vijfde lid, onder d, opnieuw gewijzigd naar de tekst zoals die nu luidt, dus ‘wordt niet verwijderd’. Tijdens al deze wijzigingen is de tekst van punt 93 van de considerans, afgezien van een hernummering, overigens niet dienovereenkomstig gewijzigd. Daarop gaat de Afdeling hierna in.

Punt 93 van de considerans

3.7.        In punt 93 van de considerans van de Procedureverordening staat dat in gevallen waarin het beroep niet automatisch schorsende werking heeft, verzoekers wel het recht hebben om te blijven tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt en, indien de verzoeker binnen die termijn een dergelijk verzoek heeft ingediend, tot de bevoegde rechterlijke instantie een beslissing neemt. Hoewel de Uniewetgever hier, anders dan in artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening, wel de term ‘recht om te blijven’ gebruikt, kan dit geen afbreuk doen aan de tekst van die bepaling. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat een considerans van een Uniehandeling weliswaar duidelijkheid kan geven over de uitlegging van de daarin neergelegde rechtsvoorschriften, maar dat deze geen bindende kracht heeft en niet kan worden aangevoerd om van de bepalingen van die handeling af te wijken of om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan. Zie het arrest van het Hof van 11 april 2013, Della Rocca, ECLI:EU:C:2013:235, punt 38, en de daar aangehaalde rechtspraak. Omdat de Uniewetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Procedureverordening, zoals hiervoor onder 3.6 is overwogen, bewust een ander regime heeft gekozen voor de gevallen bedoeld in artikel 68, vijfde lid, onder d, komt in dit geval geen betekenis toe aan de afwijkende bewoordingen van de considerans.

Het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S.

3.8.        Anders dan de rechtbank heeft overwogen, leiden het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S., zoals uitgelegd door de Afdeling in de uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442, niet tot een andere conclusie. Zoals de minister terecht betoogt, hadden verzoekers van wie de aanvraag was afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, wel het recht om op het grondgebied van de lidstaten te blijven tijdens de beroepstermijn en in afwachting van een verzoek om voorlopige voorziening. Dat is, zoals hiervoor onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, onder de Procedureverordening niet langer het geval.

Gevolgen voor de praktijk

3.9.        In bewaringszaken zoals de voorliggende zaak, is de vraag of verzoekers die onder artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening vallen rechtmatig verblijf hebben tijdens de beroepstermijn en de behandeling van hun voorlopige voorziening van belang, omdat dit bepalend is voor de vraag wat de juiste bewaringsgrondslag is. De Afdeling hecht eraan te benadrukken, dat zij terdege beseft dat de in deze uitspraak gegeven uitleg van de Procedureverordening ook buiten het bewaringsrecht gevolgen kan hebben. Potentieel wordt een grote groep verzoekers geraakt, aangezien de versnelde procedure bedoeld in artikel 42 van de Procedureverordening in veel situaties wordt toegepast. Dit neemt echter niet weg dat de Uniewetgever, zoals hiervoor overwogen, er uitdrukkelijk voor gekozen heeft om in bepaalde situaties en onder de voorwaarden zoals hiervoor besproken geen rechtmatig verblijf toe te kennen.

Wat betekent dit voor de voorliggende zaak?

3.10.        Betrokkene heeft, nadat de minister bij het besluit van 13 juli 2026 de asielaanvraag in de versnelde procedure had afgewezen als kennelijk ongegrond, beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Gelet op wat hiervoor onder 3 tot en met 3.9 is overwogen, had betrokkene, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw 2000, tijdens de beroepstermijn of tijdens de behandeling van het verzoek. Dit betekent dat de minister hem op 15 juli 2026 terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.

3.11.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.12.        De grief slaagt.

Conclusie over het hoger beroep

4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep van betrokkene

5.        Betrokkene heeft betoogd dat hij tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag niet gehouden was om mee te werken aan zijn uitzetting. Grond 2h is daarom prematuur en feitelijk onjuist. Verder betoogt hij dat uit de zittingsaantekeningen van het beroep tegen de vorige maatregel van bewaring volgt dat de minister de gronden 2p en 2s heeft laten vallen.

5.1.        De beroepsgrond faalt. Betrokkene heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 15 juli 2026 verklaard dat hij niet bereid is om mee te werken aan zijn terugkeer. Grond 2h is daarom feitelijk juist. Uit deze grond, samen met de niet bestreden gronden 2a, 2c, 2e, 2j en 2r, volgt verder dat sprake is van een onderduikrisico. De Afdeling ziet, ook ambtshalve toetsend, geen aanleiding voor het oordeel dat dat in dit geval niet zo is. Wat betrokkene heeft aangevoerd over gronden 2p en 2s hoeft daarom niet meer te worden besproken.

6.        Betrokkene heeft verder betoogd dat de minister niet voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. In het dossier bevinden zich geen laissez-passeraanvraag of vertrekgesprekken.

6.1.        De beroepsgrond faalt. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat op 20 juli 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat de minister op 21 juli 2026 een terug- en overnameverzoek heeft verzonden aan de Turkse autoriteiten. De minister heeft daarom voldoende voortvarend aan de uitzetting gewerkt.

Conclusie over het beroep

7.        Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 24 juli 2026 in zaak nr. NL26.39758;

III.        verklaart het beroep ongegrond;

IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026

846

BIJLAGE

Procedureverordening (EU) 2024/1348

Considerans

(93) In gevallen waarin de verzoeker niet automatisch het recht heeft om te blijven ten behoeve van het beroep, moet een rechterlijke instantie toch, op verzoek van de verzoeker of ambtshalve, de verzoeker kunnen toestaan om in afwachting van de uitkomst van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te blijven. In dergelijke gevallen moeten verzoekers het recht hebben om te blijven tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt en, indien de verzoeker binnen die termijn een dergelijk verzoek heeft ingediend, tot de bevoegde rechterlijke instantie een beslissing neemt. Om volgende verzoeken die een oneigenlijk gebruik van recht vormen of op het laatste moment worden ingediend, te ontmoedigen, moeten de lidstaten in hun nationale recht kunnen bepalen dat verzoekers, in geval van een afwijzing van een volgend verzoek, geen recht hebben om gedurende die periode te blijven, teneinde te voorkomen dat verdere ongegronde volgende verzoeken worden ingediend. In het kader van de procedure voor het bepalen of de verzoeker al dan niet mag blijven in afwachting van de uitkomst van het beroep, moeten de rechten van de verdediging van de verzoeker voldoende worden gewaarborgd door te voorzien in de nodige tolkdiensten en rechtsbijstand. Voorts moet de bevoegde rechterlijke instantie de beslissing tot weigering van internationale bescherming op feitelijke en juridische gronden kunnen onderzoeken.

Artikel 68 - Schorsende werking van beroep

1. De gevolgen van een terugkeerbesluit worden automatisch geschorst zolang een verzoeker of een persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, overeenkomstig dit artikel het recht of de toestemming heeft om te blijven.

2. Verzoekers en personen van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, hebben het recht op het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg kunnen uitoefenen, verstrijkt en, indien dat recht binnen de vastgestelde termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte.

3. Onverminderd het beginsel van non-refoulement hebben verzoekers en personen van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken geen recht om te blijven op grond van lid 2 wanneer de bevoegde autoriteit een van de volgende beslissingen heeft genomen:

a) een beslissing waarbij een verzoek als ongegrond of kennelijk ongegrond is afgewezen, indien op het moment waarop de beslissing wordt genomen:

i) de verzoeker onderworpen is aan een versnelde behandelingsprocedure op grond van artikel 42, lid 1 of lid 3; […].

4. In de in lid 3 bedoelde gevallen is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, na een onderzoek van zowel de feitelijke als de juridische gronden te beslissen of de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken al dan niet op het grondgebied van de lidstaten mag blijven in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte. De bevoegde rechterlijke instantie is naar nationaal recht bevoegd om ambtshalve hierover te beslissen.

5. Voor de toepassing van lid 4 gelden de volgende voorwaarden indien relevant in geval van ambtshalve genomen beslissingen:

a) de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, krijgt vanaf de datum waarop aan hem of haar kennis is gegeven van de beslissing ten minste vijf dagen de tijd om een verzoek in te dienen om op het grondgebied te mogen blijven in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte;

[…]

d) de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, wordt niet verwijderd van het grondgebied van de verantwoordelijke lidstaat:

i) tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt;

ii) indien de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, binnen de gestelde termijn heeft verzocht om te mogen blijven, tot de rechterlijke instantie beslist of de verzoeker of de persoon van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, toestemming krijgt om op het grondgebied te blijven; […].

Vw 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

[…]

h. in afwachting van: […]

2° de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

Artikel 69

[…]

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening, wordt ingediend binnen een week na de bekendmaking van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag of het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in de gevallen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening.

Artikel 82

1. Onverminderd artikel 68, eerste en tweede lid, van de Procedureverordening, wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

a. artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is;

[…].

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het recht om al dan niet in afwachting van de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland te mogen verblijven.

Vb 2000

Artikel 7.3

1. Overeenkomstig artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening wordt de vreemdeling niet uit Nederland verwijderd, totdat:

a. de termijn ingevolge artikel 69, zesde lid, van de Wet, waarbinnen een verzoek om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen moet worden ingediend, is verstreken; of

b. uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening, welk verzoek binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, was ingediend.

Vc 2000

Paragraaf A5/6.4 (voor zover van belang)

Indien de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven. De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.

In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel v op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op grondgebied te blijven, maar een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, onder 2, Vw. Het is dan mogelijk om de vreemdeling (opnieuw) in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling zit nog altijd in vreemdelingenbewaring, vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon