Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001417

Uitspraak BRS.26.001417

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5073
Datum uitspraak
2 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 11 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001417, BRS.26.001427 en BRS.26.001433
ECLI:NL:RVS:2026:5073
Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [appellant1],
2. [appellant 2], mede voor haar minderjarige dochter,
3. [appellant 3],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2026 in zaken nrs. NL25.56330, NL25.56332 en NL25.56334 in het geding tussen:

[appellanten],

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 11 november 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 17 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

De hoger beroepen van appellant 1 (BRS.26.001417) en appellant 3 (BRS.26.001433)

1.        De hoger beroepen van appellant 1 en appellant 3 leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de hogerberoepschriften geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de hogerberoepschriften geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Het hoger beroep van appellant 2 (BRS.26.001427)

2.        Appellant 2 klaagt in haar eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij niet gehouden was om de minderjarige dochter van appellant 2, geboren op 17 oktober 2010, te horen. Appellant 2 betoogt terecht dat dit niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3899. Daaruit volgt dat de minister verplicht is begeleide minderjarigen tussen de twaalf en de vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief die in staat zijn hun mening te vormen, in de gelegenheid te stellen om vrijelijk hun mening te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen. Als een minderjarige om een gehoor verzoekt, mag de minister daar slechts in bijzondere gevallen van afzien en alleen als de belangen van het kind rechtvaardigen dat het niet rechtstreeks wordt gehoord. Gelet op de uitspraak van 20 augustus 2025 mag de minister bij die afweging niet betrekken dat het in procedures over internationale bescherming vaak niet zinnig is om begeleide minderjarige vreemdelingen zonder zelfstandig asielmotief rechtstreeks te horen. Als de minister ervoor kiest om, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet rechtstreeks te horen in het belang van het kind, moet hij dit toegespitst op de concrete situatie motiveren in zijn besluit. Niet in geschil is dat de minderjarige dochter van appellant 2 toen zij 14 jaar oud was heeft verzocht te worden gehoord. De redenen van de minister om in dit geval van een gehoor af te zien, namelijk dat de minderjarige dochter geen zelfstandig asielmotief heeft en pas in de zienswijze om een gehoor heeft verzocht, leveren gelet op de uitspraak van 20 augustus 2025 geen grond op om van horen af te zien. Appellant 2 betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister hiermee niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van het horen van haar minderjarige dochter heeft afgezien, waardoor de besluitvorming onzorgvuldig is geweest.

2.1.        Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.2.        De grief slaagt.

3.        Wat appellant 2 in de tweede grief aanvoert leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moet worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Conclusie

4.        Het hoger beroep van appellant 2 is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het beroep van appellant 2 ongegrond heeft verklaard. Het beroep van appellant 2 is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 11 november 2025 waarbij de minister haar asielaanvraag, die mede betrekking heeft op haar minderjarige dochter, heeft afgewezen. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag van appellant 2 nemen. Daarbij moet hij rekening houden met wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen over het horen van de minderjarige dochter van appellant 2. De minister moet de proceskosten van appellant 2 vergoeden.

5.        De hoger beroepen van appellant 1 en appellant 3 zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de beroepen van appellant 1 en appellant 3 ongegrond heeft verklaard. De minister hoeft de proceskosten van appellant 1 en appellant 3 niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van appellant 2 gegrond;

II.        verklaart de hoger beroepen van appellant 1 en appellant 3 ongegrond;

III.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2026 in zaak nr. NL25.56332, voor zover zij het beroep van appellant 2 ongegrond heeft verklaard;

IV.        bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V.        vernietigt het besluit van 11 november 2025, V-[...];

VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant 2 in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

363-1088


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon