Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202602154/1/A2 en 202602155/1/A2

Uitspraak 202602154/1/A2 en 202602155/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5031
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 27 februari 2026 hebben het college van bestuur van Tilburg University (het college van bestuur van TiU) en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (het college van bestuur van de TU/e) (gezamenlijk: de colleges) [appellant] tot en met 31 augustus 2026 een toegangsverbod opgelegd voor de terreinen en gebouwen van de TiU en de TU/e. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] beëindigd. Naar aanleiding van veelvuldige meldingen over ongepast gedrag hebben de colleges bij beslissing van 27 februari 2026 de online en fysieke toegang tot de campussen in Eindhoven en Tilburg ontzegd. Het toegangsverbod geldt tot en met 31 augustus 2026. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] aan beide universiteiten beëindigd. Tegen die beslissing heeft [appellant] op 8 april 2026 bezwaar gemaakt bij het college van bestuur van de TU/e en op 9 april 2026 bij het college van bestuur van TiU. Op 21 april 2026 hebben de colleges de ontvangst van de bezwaarschriften bevestigd en meegedeeld dat de bezwaren aan een gezamenlijke geschillencommissie zullen worden voorgelegd.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202602154/1/A2 en 202602155/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

en

1.       het college van bestuur van Tilburg University; en
2.       het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven,
verweerders.

Procesverloop

Bij beslissing van 27 februari 2026 hebben het college van bestuur van Tilburg University (het college van bestuur van TiU) en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (het college van bestuur van de TU/e) (gezamenlijk: de colleges) [appellant] tot en met 31 augustus 2026 een toegangsverbod opgelegd voor de terreinen en gebouwen van de TiU en de TU/e. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] beëindigd.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] bij beide colleges bezwaar gemaakt.

[appellant] heeft beroepen ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Het beroep waarin [appellant] zich richt tot het college van bestuur van TiU is geregistreerd onder zaak nr. 202602154/1/A2 en het beroep dat is gericht tot het college van bestuur van TU/e is geregistreerd onder zaak nr. 202602155/1/A2.

De colleges hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft zaken nrs. 202602154/1/A2 en 202602155/1/A2, behandeld op 18 augustus 2026, waar [appellant], vergezeld door F.J. Klunder, tolk, en de colleges, beide vertegenwoordigd door mr. N.J.A.P.B. Niessen, advocaat te Eindhoven, vergezeld door mr. R. van Leeuwaarde-Martens en mr. J. van Dinther, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] stond ingeschreven aan de TU/e en TiU voor de bacheloropleiding Data Science. Het gaat om een gezamenlijke bacheloropleiding.

2.       Naar aanleiding van veelvuldige meldingen over ongepast gedrag hebben de colleges bij beslissing van 27 februari 2026 de online en fysieke toegang tot de campussen in Eindhoven en Tilburg ontzegd. Het toegangsverbod geldt tot en met 31 augustus 2026. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] aan beide universiteiten beëindigd. Tegen die beslissing heeft [appellant] op 8 april 2026 bezwaar gemaakt bij het college van bestuur van de TU/e en op 9 april 2026 bij het college van bestuur van TiU. Op 21 april 2026 hebben de colleges de ontvangst van de bezwaarschriften bevestigd en meegedeeld dat de bezwaren aan een gezamenlijke geschillencommissie zullen worden voorgelegd.

3.       [appellant] heeft bij de Afdeling beroepen ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren.

Beroepen niet tijdig beslissen

4.       De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de colleges afzonderlijk een beslissing op zijn bezwaren hadden moeten nemen en dat nu zij dit beide niet hebben gedaan aan hem twee dwangsommen toekomen. De colleges hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 7.3d, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), waarin wordt verwezen naar artikel 7.42 van die wet, in samenhang gelezen met artikel 7.57h, eerste lid, gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de tijdelijke beëindiging van de inschrijving. De colleges hebben eveneens terecht verwezen naar artikel 7.3d, tweede lid, van de WHW, waarin is bepaald dat voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vastleggen welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is. De colleges hebben een gemeenschappelijke regeling opgesteld, te weten de ‘gemeenschappelijke regeling JADS’. In artikel 46 van die regeling staat dat in alle gevallen waarin de gemeenschappelijke regeling niet voorziet, de colleges gezamenlijk beslissen. Hieruit volgt dat de colleges ook gezamenlijk kunnen beslissen over en verantwoordelijk zijn voor het opleggen van een toegangsverbod. Die gezamenlijke verantwoordelijkheid betekent in eerste instantie dat daaruit voortvloeit dat de colleges terecht gezamenlijk de beslissing van 27 februari 2026 hebben genomen. Hieruit volgt vervolgens ook dat zij gezamenlijk een beslissing nemen op het daartegen gemaakte bezwaar. Dat [appellant] afzonderlijke bezwaren heeft ingediend, doet hier niet aan af.

4.1.    Op grond van artikel 7.63b van de WHW bedraagt de beslistermijn tien weken na ontvangst van het bezwaar. De beslistermijn eindigde op 17 juni 2026. Dat de beslistermijn op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 7:14 van de Awb, zou zijn opgeschort, omdat de vertraging aan [appellant] kan worden toegerekend, volgt de Afdeling niet. De hoorzitting was gepland op 9 juli 2026, terwijl de beslistermijn reeds op 17 juni 2026 afliep. Dat [appellant] veelvuldig bezwaar heeft gemaakt tegen de gezamenlijke behandeling van zijn bezwaren en herhaaldelijk heeft verzocht om uitstel van de zitting, betekent niet dat de vertraging geheel aan [appellant] kan worden toegerekend. Hoewel de colleges op de zitting hebben verklaard dat er ook veel telefonische gesprekken zijn gevoerd waardoor niet alle communicatie over het vaststellen van de datum van de hoorzitting op schrift is gesteld, is het de Afdeling niet gebleken dat eerder dan 9 juli 2026 een hoorzitting zou worden ingepland.

4.2.    [appellant] heeft het college van bestuur van de TU/e bij brief van 18 juni 2026 in gebreke gesteld en het college van bestuur van de TiU bij brief van 19 juni 2026. Uitgaande van de eerst ingediende ingebrekestelling, liep de in artikel 4:17, derde lid, van de Awb gegeven termijn van twee weken tot en met 2 juli 2026. Tot op heden hebben de colleges geen beslissing genomen. Dit betekent dat de colleges niet tijdig hebben beslist. Op grond van artikel 4:17 van de Awb in verbinding gelezen met artikel 7:14 van die wet komt aan [appellant] één dwangsom van € 1.442,00 toe.

4.3.    De colleges dienen alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren van [appellant]. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen van twee weken.

4.4.    De Afdeling bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de colleges een dwangsom aan [appellant] verbeuren voor iedere dag dat de colleges in gebreke blijven. De Afdeling stelt de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.

5.       De colleges moeten de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van [appellant];

III.      bepaalt dat het college van bestuur van Tilburg University en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven aan [appellant] een dwangsom van € 1.442,00 zijn verschuldigd, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag door één van de colleges, beide colleges aan hun betalingsverplichting hebben voldaan;

IV.      draagt het college van bestuur van Tilburg University en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven op om uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaar van [appellant] en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.       bepaalt dat het college van bestuur van Tilburg University en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven aan [appellant] gezamenlijk een dwangsom verbeuren voor elke dag waarmee de colleges de hiervoor genoemde termijn voor bekendmaking van de beslissing overschrijden, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,00;

VI.      veroordeelt het college van bestuur van Tilburg University en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 341,30, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag door één van de colleges, beide colleges aan hun betalingsverplichting hebben voldaan;

VII.     gelast dat het college van bestuur van Tilburg University en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 108,00 vergoeden, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag door één van de colleges, beide colleges aan hun betalingsverplichting hebben voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.

w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Engele
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026

1033


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon