Uitspraak 200504444/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU5528
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2005
- Inhoudsindicatie
- Op 23 december 2004 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) appellanten onder meer aangezegd dat de verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: de Rva 1997), waaronder het gebruik van woonruimte, worden beëindigd.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200504444/1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/5826 en AWB 05/5829 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 april 2005 in de gedingen tussen:
appellanten
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
1. Procesverloop
Op 23 december 2004 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) appellanten onder meer aangezegd dat de verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: de Rva 1997), waaronder het gebruik van woonruimte, worden beëindigd.
Bij uitspraak van 22 april 2005, verzonden op 2 mei 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage zich onbevoegd verklaard om van de hiertegen door appellanten ingestelde beroepen kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 juni 2005 heeft het COA een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA) of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze, voorzien bij of krachtens de Wet COA of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet COA zijn in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden, dan wel de beëindiging van de verstrekkingen bij of krachtens die wet.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden handelingen ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, met een beschikking gelijkgesteld.
Ingevolge artikel 12 kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de krachtens die bepaling vastgestelde Rva 1997 eindigen de in artikel 5 van die regeling bedoelde verstrekkingen, indien het een vreemdeling betreft, op wiens asielaanvraag inwilligend is beslist, op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten een centrum kan worden gerealiseerd.
2.2. Volgens de Memorie van Toelichting (hierna: MvT; Kamerstukken II, 1999-2000, 26 975, nr. 3, p. 11-13) volgt uit het systeem van de Vw 2000 dat niet snel sprake is van een afzonderlijk besluit tot beëindiging van de verstrekkingen, waartegen beroep kan worden ingesteld. Uit de verlening van een verblijfsvergunning asiel volgt van rechtswege dat de verstrekkingen worden beëindigd. De beëindiging van de verstrekkingen zelf roept geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven en dus ook geen besluit. Denkbaar is echter dat bij wijze van uitzondering door tijdsverloop opnieuw een oordeel nodig is over bijvoorbeeld de beëindiging van de verstrekkingen vanwege een relevante wijziging in de omstandigheden van de vreemdeling, waardoor een nieuw rechtsgevolg kan worden aangenomen, aldus de MvT.
Volgens de MvT worden voorts in het tweede lid van artikel 3a handelingen tot het beëindigen van de verstrekkingen met een beschikking gelijkgesteld, zodat ook tegen deze handelingen beroep kan worden ingesteld. Alleen de rechtens relevante handelingen van een bestuursorgaan jegens een vreemdeling als zodanig zijn voor beroep vatbaar. Ook bij deze handelingen geldt dat uit het systeem van de Vw 2000 voortvloeit dat doorgaans geen afzonderlijk beroep tegen handelingen mogelijk is. Denkbaar is echter dat de wijze waarop van de bevoegdheid tot beëindiging van de opvang gebruik is gemaakt tot een afzonderlijke, hernieuwde rechterlijke beoordeling van de handeling leidt. Ook is denkbaar dat bij wijze van uitzondering door tijdsverloop opnieuw een oordeel nodig is over bijvoorbeeld de beëindiging van de verstrekkingen vanwege een relevante wijziging in de omstandigheden, aldus de MvT.
2.3. Appellanten is mondeling aangezegd dat hun weigering de aangeboden woonruimte te aanvaarden als ten onrechte gedaan wordt aangemerkt, zij geen apart beëindigingsbesluit van het COA krijgen, omdat zij een verblijfsvergunning asiel hebben, hun nog maximaal 24 uur wordt gegund om de aangeboden woonruimte alsnog te aanvaarden, de verstrekkingen, indien zij ook na die 24 uur bij de weigering blijven, op dat moment zullen eindigen, zij aldus de opvanglokatie/woning zullen moeten verlaten en dat, bij gebreke daarvan, een ontruimingsprocedure tegen hen zal worden gestart (hierna: de aanzegging).
2.4. In de grieven 1 en 2 betogen appellanten dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat slechts sprake is van een mondelinge beslissing, heeft miskend dat van het gesprek woningweigering een schriftelijk verslag is gemaakt dat hun op 24 december 2004 is toegezonden, zodat aan het vereiste van schriftelijkheid, gesteld bij artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), is voldaan en, door te overwegen dat de aanzegging louter moet worden gezien als een feitelijke mededeling, heeft miskend dat sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit, nu met het oordeel van het COA over de passendheid van woonruimte, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva 1997, hun rechtspositie is verslechterd en hun geen andere woonruimte meer wordt aangeboden.
2.4.1. Daargelaten of met het gespreksverslag woningweigering van 23 december 2004 aan het vereiste van schriftelijkheid, gesteld bij artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is voldaan, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de aanzegging niet op enig rechtsgevolg is gericht. De besluiten van 12 oktober 2004, waarbij de minister aan appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend, hebben ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Vw 2000 de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege tot gevolg. De uit die besluiten van rechtswege voortvloeiende gevolgen traden, gelet op die bepaling, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva 1997, voor appellanten in op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten een centrum beschikbaar was. Met de aanzegging is appellanten uitsluitend mededeling gedaan van die van rechtswege ingetreden of intredende gevolgen.
De voorzieningenrechter heeft evenzeer terecht de beëindiging van de verstrekkingen op 24 december 2004, aldus ruim twee maanden na de toelating, niet op de voet van artikel 3a, tweede lid, van de Wet COA, met een beschikking gelijkgesteld. Dit betekent dat tegen de aanzegging geen afzonderlijk beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk was. De grieven falen.
2.5. Hetgeen voor het overige is aangevoerd in het hoger-beroepschrift en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Groeneweg
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005
32-438.