Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003913

Uitspraak BRS.26.003913

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4973
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003913 en BRS.26.003914
ECLI:NL:RVS:2026:4973
Datum uitspraak: 25 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 juli 2026 in zaak nr. NL25.60046 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.1.        De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft nagelaten om artikel 4, vijfde lid en onder d, van de Kwalificatieverordening toe te passen, omdat de rechtbank in de uitspraak niet heeft gemotiveerd waarom het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees dat hij op 3 maart 2023 Nederland is ingereisd en hij op 24 maart 2023 pas een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betoog slaagt alleen al niet, omdat de rechtbank wel degelijk heeft gemotiveerd waarom het moment waarop hij zijn asielaanvraag indiende afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat van iemand die stelt dat hij internationale bescherming nodig heeft, verwacht mag worden dat hij direct actie onderneemt om die bescherming te krijgen. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in dit geval geen verschoonbare reden is dat appellant de procedures niet kende.

1.2.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verschil tussen artikel 4, vijfde lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn en de Kwalificatieverordening, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.3.        De grieven 2 en 3 leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift op dit punt geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A.K. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.

w.g. Kuijer
voorzieningenrechter

w.g. Koelman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026

987


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon