Uitspraak BRS.26.002696
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4895
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, geweigerd om aan hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en aan hem een vertrekplicht opgelegd.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002696 en BRS.26.002702
ECLI:NL:RVS:2026:4895
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. [betrokkene],
2. de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 mei 2026 in zaak nr. NL24.24991 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, geweigerd om aan hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en aan hem een vertrekplicht opgelegd.
Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep voor zover gericht tegen de intrekking ongegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het niet verlenen van een ambtshalve verblijfsvergunning op reguliere gronden en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, en het besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de grond van artikel 61 van de Vw 2000 opgelegde vertrekplicht en de minister opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak aan te geven welke rechtsgevolgen hij hieraan verbindt.
Tegen deze uitspraak hebben betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, en de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit. Bij besluit van 19 april 2021 heeft de minister zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, verlengd tot 7 januari 2026. De minister heeft deze asielvergunning bij besluit van 23 mei 2024 ingetrokken, omdat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan dit standpunt heeft de minister ten grondslag gelegd dat betrokkene een ernstig misdrijf heeft gepleegd en dat hij door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister heeft geen terugkeerbesluit genomen, omdat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, maar hij heeft zich in het besluit wel op het standpunt gesteld dat op betrokkene een vertrekplicht rust op grond van artikel 61 van de Vw 2000.
3. De rechtbank heeft bij verwijzingsuitspraak van 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843, aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voorgelegd of artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 3, 5, 8 en 9 ervan, en met artikel 17, lid 1, en artikel 19, lid 3, onder a), van de Kwalificatierichtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een derdelander wiens subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze derdelander naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Het Hof heeft deze vraag bij arrest van 26 maart 2026, Tadmur, ECLI:EU:C:2026:257, bevestigend beantwoord. Het Hof heeft onder punten 44 tot en met 48 van dit arrest verder overwogen dat, in een situatie waarin het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit, dat beginsel ook in de weg staat aan de vaststelling dat op de vreemdeling een vertrekplicht rust op grond van het nationale recht, zonder zijn verwijdering toe te staan of een lidstaat van bestemming aan te wijzen.
Het hoger beroep van betrokkene
4. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het hoger beroep van de minister
5. De minister klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij aan betrokkene niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, omdat de minister ten onrechte geen zwaar gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat betrokkene niet kan terugkeren naar Syrië en dat niet is gebleken van een ander land waar hij zou kunnen verblijven, en waar hij sterkere banden mee zou hebben dan met Nederland. Volgens de rechtbank klemt dit temeer, omdat uit het arrest Tadmur volgt dat het opleggen van een vertrekplicht op grond van artikel 61 van de Vw 2000 onverenigbaar is met het Unierecht als geen terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn kan worden opgelegd.
5.1. Hoewel de minister terecht klaagt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan hem is om te beoordelen welk gewicht hij, onder de gegeven omstandigheden, in het kader van de belangenafweging toekent aan het niet kunnen opleggen van een vertrekplicht, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister geen deugdelijke belangenafweging heeft verricht. De minister heeft zich in het besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een vertrekplicht op betrokkene rust en dit in het nadeel van betrokkene meegewogen in de belangenafweging. Gelet op het arrest Tadmur moet de minister in de belangenafweging juist betrekken dat op betrokkene geen vertrekplicht rust. Ook heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid, nu hij deze bevoegdheid wel heeft betrokken bij de besluitvorming.
5.2. De grief faalt.
6. De minister klaagt in zijn tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de rechtsgevolgen van de intrekking van de asielvergunning evenredig zijn. Onder verwijzing naar de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046, heeft de rechtbank overwogen dat de minister ook in het geval van betrokkene een soortgelijke duurzaamheids- en proportionaliteitstoets moet verrichten als bij vreemdelingen aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Volgens de rechtbank moet de minister bij het nemen van een nieuw besluit motiveren hoe lang een situatie van een uitgestelde verwijdering als in deze zaak kan voortduren voordat deze situatie, ondanks het kunnen beroepen op de rechten die zowel door het Handvest als door artikel 14, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn worden gewaarborgd, onverenigbaar wordt met artikel 1 van het Handvest.
6.1. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de minister niet hoeft te motiveren hoe lang de situatie van de uitgestelde verwijdering van betrokkene kan voortduren, voordat deze onverenigbaar wordt met het Unierecht. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de minister bij het nemen van het nieuwe besluit niet kan weten hoe lang het refoulementrisico in het land van herkomst nog actueel zal zijn, omdat dit afhankelijk is van onzekere toekomstige ontwikkelingen in dat land. Daarnaast is van belang dat de minister niet op voorhand kan motiveren wanneer het gedrag van betrokkene geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging meer vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het toekomstige gedrag van betrokkene is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waar de minister niet op vooruit kan lopen. Of hieruit nog steeds een bedreiging volgt, kan de minister daarom pas op het moment van het indienen van een nieuwe aanvraag door betrokkene beoordelen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
6.2. Al hierom slaagt de grief.
7. De hogerberoepschriften roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
8. Het hoger beroep van betrokkene is ongegrond. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister heeft opgedragen om met inachtneming van de uitspraak aan te geven welke rechtsgevolgen hij verbindt aan de vernietiging van het besluit voor zover dit betrekking heeft op de grond van artikel 61 van de Vw 2000 opgelegde vertrekplicht. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Dit betekent dat de minister in het nieuwe besluit deugdelijk moet motiveren waarom de intrekking van de asielvergunning ondanks het ontbreken van de vertrekplicht evenredig is, maar dat hij niet hoeft te motiveren hoe lang de situatie van de uitgestelde verwijdering van betrokkene kan voortduren, voordat deze onverenigbaar wordt met het Unierecht. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van betrokkene ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 mei 2026 in zaak nr. NL24.24991, voor zover de rechtbank de minister heeft opgedragen om met inachtneming van de uitspraak aan te geven welke rechtsgevolgen hij verbindt aan de vernietiging van het besluit voor zover dit betrekking heeft op de grond van artikel 61 van de Vw 2000 opgelegde vertrekplicht;
IV. bevestigt de uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026
1017