Uitspraak BRS.25.002144
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4833
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 24 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/82 van 4 maart 2022, en appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002144
ECLI:NL:RVS:2026:4833
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2025 in zaak nr. NL24.14992 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 24 juli 2025, heeft de minister bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/82 van 4 maart 2022, en appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 februari 2024 door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 24 juli 2025 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste en tweede grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vraag over de gevolgen van verschillende taalversies van een bepaling van Unierecht heeft het Hof van Justitie al beantwoord in bijvoorbeeld het arrest van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, ECLI:EU:C:1998:536, punt 16. De vraag of de minister het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1836, onder 6.
1.1. Uit de onder 1 genoemde rechtspraak volgt dat de opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Wat appellant verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026
936-1183