Uitspraak BRS.26.003620
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4827
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003620 en BRS.26.003622
ECLI:NL:RVS:2026:4827
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2026 in zaak nr. NL26.32135 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Şahin, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, over de opvangvoorzieningen in Frankrijk voor Dublinclaimanten). Anders dan appellant betoogt, schetst het "Country Report: France 2025 Update" van Asylum Information Database geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 31 juli 2025 is betrokken.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026
987