Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600271/3/A3

Uitspraak 202600271/3/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4843
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 april 2025 heeft de Raad van State een verzoek van de Stichting van 22 maart 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet open overheid afgewezen, gedeeltelijk omdat het verzoek betrekking heeft op zijn Afdeling bestuursrechtspraak en gedeeltelijk omdat binnen de Raad geen informatie is gevonden die onder het bereik van het verzoek valt. Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de Raad het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Stichting heeft naar voren gebracht dat de omstandigheden sinds de schorsing ingrijpend zijn gewijzigd. Zij wijst in dit verband op het vertrek en de opvolging van de vice-president van de Raad. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de gronden van het hoger beroep nog niet bij de Afdeling waren ingediend. De Stichting gaat er op basis daarvan van uit dat de Raad van het hoger beroep is teruggekomen. De noodzaak om de uitspraak van de rechtbank nog langer te schorsen is daarmee volgens de Stichting aan de zaak ontvallen.
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600271/3/A3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

Stichting de Verbeelding, gevestigd in Utrecht, 
verzoekster,

om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht)) van de bij uitspraak van 20 februari 2026, in zaak nr. 202600271/2/A3, getroffen voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

de Raad van State (de Raad)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 16 december 2025, in zaken nrs. 25/4150 en 25/5329, in het geding tussen:

de Stichting

en

de Raad.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de Raad een verzoek van de Stichting van 22 maart 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet open overheid afgewezen, gedeeltelijk omdat het verzoek betrekking heeft op zijn Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) en gedeeltelijk omdat binnen de Raad geen informatie is gevonden die onder het bereik van het verzoek valt.

Bij besluit van 5 juni 2025 (bestreden besluit 1) heeft de Raad het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de Raad het (herhaalde en uitgebreidere) verzoek van de Stichting van 23 april 2025 afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2025 (bestreden besluit 2) heeft de Raad het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank het door de Stichting tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de Raad opgedragen binnen zes weken twee nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de Raad hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank geschorst voor zover die is aangevochten.

Op 8 juni 2026 heeft de Stichting de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening op te heffen.

De Raad heeft op 30 juli 2026 op het verzoek gereageerd.

Overwegingen

1.       De voorzieningenrechter zal beoordelen of er aanleiding bestaat om de schorsing van de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank op te heffen.

2.       De Stichting heeft naar voren gebracht dat de omstandigheden sinds de schorsing ingrijpend zijn gewijzigd. Zij wijst in dit verband op het vertrek en de opvolging van de vice-president van de Raad. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de gronden van het hoger beroep nog niet bij de Afdeling waren ingediend. De Stichting gaat er op basis daarvan van uit dat de Raad van het hoger beroep is teruggekomen. De noodzaak om de uitspraak van de rechtbank nog langer te schorsen is daarmee volgens de Stichting aan de zaak ontvallen.

3.       In zijn reactie op het verzoek heeft de Raad laten weten dat hij niet is teruggekomen van het hoger beroep en dat ook niet wenst te doen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de Afdeling hem tot en met 30 juli 2026 uitstel had gegeven voor het indienen van de gronden van het hoger beroep en dat hij die gronden op die datum heeft ingediend. Gelet op de gronden van het hoger beroep is handhaving van de voorlopige voorziening nog steeds geboden.

4.       Uit de reactie van de Raad volgt dat de veronderstelling van de Stichting dat de Raad van zijn hoger beroep was teruggekomen onjuist is. Het verzoek mist in zoverre feitelijke grondslag. In deze veronderstelling is dan ook geen grond gelegen voor opheffing van de getroffen voorziening. Wat voor het overige in het verzoekschrift is vermeld bevat geen aanknopingspunt om te komen tot het oordeel dat de getroffen voorziening moet worden opgeheven. Het verzoek is kennelijk ongegrond en zal daarom worden afgewezen. Voor het houden van een zitting bestaat geen aanleiding.

5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek om opheffing van de bij de uitspraak van 20 februari 2026, in zaak nr. 202600271/2/A3, getroffen voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Boeree, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.T. van der Leek, griffier.

w.g. Boeree
voorzieningenrechter

w.g. Van der Leek
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon