Uitspraak BRS.26.001021
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4806
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001021
ECLI:NL:RVS:2026:4806
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in zaak nr. NL24.9221 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten.
De minister heeft op 24 oktober 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 7 februari 2024 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 24 oktober 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door M. Badulkhan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over. De Afdeling wijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punten 74 en 89, waarin het Hof toelicht welke uitzonderingen de Terugkeerrichtlijn bevat op de verplichting om op grond van artikel 6, eerste lid, van die richtlijn een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Verder wijst de Afdeling naar haar uitspraak van 9 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2702, onder 7.1, waarin zij aan de hand van de rechtspraak van het Hof een uitleg geeft van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Vermeulen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
907