Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202407310/1/V1

Uitspraak 202407310/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4823
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202407310/1/V1.
Datum uitspraak: 18 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 november 2024 in zaak nr. NL24.11428 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr.drs. M.R. van der Pol, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       Betrokkene, geboren op 12 augustus 1993, heeft de Algerijnse nationaliteit. De minister heeft geloofwaardig geacht dat betrokkene de dienstplicht niet heeft vervuld, maar hij heeft niet geloofwaardig geacht dat betrokkene om die reden moet vrezen voor een gevangenisstraf of een verzwaarde dienstplicht. De minister heeft ook niet geloofwaardig geacht dat betrokkene bedreigd wordt door de broers van zijn ex-vriendin.

1.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de minister het besluit op verschillende punten niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

1.2.    De minister komt tegen dit oordeel op in hoger beroep. De Afdeling komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het hoger beroep van de minister slaagt. De Afdeling legt hieronder uit hoe ze tot dit oordeel komt. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Dienstplicht

2.       De zesde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister op grond van de samenwerkingsverplichting nader onderzoek moet doen naar de risico’s die betrokkene loopt bij terugkeer naar Algerije, omdat hij de dienstplicht niet heeft vervuld. De rechtbank heeft hierover overwogen dat de kans dat de Algerijnse autoriteiten dienstplichtontduikers strafrechtelijk vervolgen of aan een verzwaarde dienstplicht onderwerpen, niet irreëel is. Dit blijkt volgens de rechtbank uit het thematisch ambtsbericht van 11 november 2020 over de dienstplicht in Algerije. De rechtbank heeft verder overwogen dat dit thematisch ambtsbericht al geruime tijd geleden is opgesteld en dat het aan de minister is om dit soort informatie regelmatig te actualiseren.

2.1.    De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De minister betoogt dat hij uit mocht gaan van de informatie uit het thematisch ambtsbericht, dat uit dit ambtsbericht niet blijkt dat de Algerijnse autoriteiten dienstplichtontduikers consequent vervolgen en berechten en dat betrokkene ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Algerijnse autoriteiten hem bij terugkeer wel zullen vervolgen.

2.2.    Deze grief slaagt. Het feit dat het thematisch ambtsbericht al geruime tijd geleden is opgesteld, betekent niet dat de minister alleen al daarom deze informatie moet actualiseren. Ook betekent dit, anders dan de rechtbank lijkt te bedoelen, niet dat de bewijslast verschuift naar de minister. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, mag de minister in beginsel van de juistheid van de in een ambtsbericht opgenomen informatie uitgaan, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Zie daarvoor de uitspraak van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146, onder 6.1. Zoals de minister terecht betoogt, heeft betrokkene in dit geval niet zulke aanknopingspunten geboden, omdat betrokkene zelf heeft laten weten dat dit ambtsbericht nog steeds gezaghebbend is en er wat hem betreft geen nieuwe rapportages zijn. De overweging van de rechtbank dat de te verwachten gevolgen zoals betrokkene die schetst ‘niet irreëel’ zijn, is niet genoeg om van hem niet langer zulke aanknopingspunten te vergen.

2.3.    Zoals de minister verder terecht betoogt, heeft hij zich in het besluit van 11 maart 2024 terecht op het standpunt gesteld dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat er weinig tot geen informatie beschikbaar is waaruit naar voren komt dat de Algerijnse autoriteiten dienstplichtontduikers consequent vervolgen en berechten. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene ook geen argumenten heeft aangedragen op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de Algerijnse autoriteiten hem bij terugkeer wel zullen vervolgen. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat betrokkene bij zijn terugkeer in 2019 ook geen problemen heeft ondervonden met de autoriteiten, terwijl hij toen per vliegtuig heeft gereisd en dus zijn paspoort heeft moeten laten zien. De minister heeft terecht van belang geacht dat betrokkene pas in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor te kennen heeft gegeven dat hij vreest voor vervolging, wegens het niet vervullen van de dienstplicht, zonder toe te lichten waarom hij dit niet tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Sterker nog, betrokkene heeft tijdens het nader gehoor zijn verbazing uitgesproken dat allerlei vragen werden gesteld over die dienstplicht. Betrokkene heeft alles bij elkaar genomen, niet aannemelijk gemaakt dat zich omstandigheden voordoen die maken dat hij in Algerije een gegronde vrees voor vervolging heeft, of een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat hij de dienstplicht niet heeft vervuld.

2.4.    De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister nader onderzoek moest doen naar de risico’s die betrokkene loopt bij terugkeer naar Algerije wegens het niet vervullen van de dienstplicht. Het is niet nodig om wat de minister in deze grief verder nog aanvoert te bespreken.

Problemen met de broers van de ex-vriendin

3.       De tweede en de derde grief gaan over de vraag of de minister terecht in het nadeel van betrokkene in de beoordeling heeft laten meewegen dat hij de geboorte van zijn dochter niet met stukken heeft onderbouwd. De reden hiervoor is dat betrokkene stelt dat de bedreigingen door de broers van zijn ex-vriendin erger zijn geworden, nadat zij zwanger van hem is geworden. De rechtbank oordeelde in de visie van de minister ten onrechte dat hij zelf nader onderzoek moet doen naar het asielrelaas van betrokkene over de geboorte van de dochter.

3.1.    De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister tijdens het nader gehoor naar documenten ter onderbouwing van het asielrelaas heeft gevraagd, maar dat hij betrokkene niet specifiek heeft gevraagd naar documenten die de geboorte van zijn dochter onderbouwen en dat de minister deze documenten nu ook niet meer van betrokkene mag verlangen. De rechtbank heeft hierover overwogen dat betrokkene heeft gesteld dat hij al sinds 2023 geen contact meer heeft met zijn ex-vriendin en dat de minister dit niet heeft betwist. De rechtbank heeft verder overwogen dat betrokkene de documenten ook niet bij de autoriteiten kan opvragen, wegens zijn vrees voor de Algerijnse autoriteiten, omdat hij de dienstplicht niet heeft vervuld.

3.2.    De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, als de minister het bestaan van de dochter niet gelooft, hij om stukken ter onderbouwing had moeten vragen. De rechtbank heeft hierover overwogen dat uit de samenwerkingsplicht volgt dat de minister duidelijk laat weten op welke onderdelen van het asielrelaas hij nadere bewijsstukken verlangt. De grief is verder gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, omdat betrokkene op de zitting foto’s heeft getoond die mogelijk dienen ter onderbouwing van het asielrelaas, de minister hiernaar nader onderzoek zal moeten doen.

3.3.    De minister komt in de tweede en de derde grief terecht op tegen deze overwegingen van de rechtbank. Zoals de minister terecht aanvoert, is het in de eerste plaats aan de vreemdeling die om internationale bescherming verzoekt om alle elementen ter staving van dit verzoek zo spoedig mogelijk in te dienen. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Het tweede lid van dat artikel verduidelijkt wat die elementen zijn. Het gaat dan om de verklaringen van de vreemdeling en alle documentatie die hij in bezit heeft. Als die vreemdeling niet aan bepaalde documenten kan komen en hij een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten, moet de minister hem in zijn bewijslast tegemoetkomen. Het idee van de samenwerkingsplicht is namelijk dat het voor de minister soms makkelijker is om aan bepaalde documenten te komen dan voor degene die een verzoek om internationale bescherming indient. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2012, M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, punt 66. Het kan zo zijn dat de minister in het kader van de samenwerkingsplicht betrokkene op enig punt duidelijk moet maken wat de minister van betrokkene verwacht om aan zijn bewijslast te voldoen, maar in dit geval kan niet worden geoordeeld dat de minister tekort is geschoten in die samenwerkingsplicht.

3.4.    De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten die het bestaan van de dochter onderbouwen. De minister betoogt hierover ook terecht dat, ook als betrokkene op dit moment geen contact meer heeft met zijn ex-vriendin, hij opnieuw contact met haar zou kunnen opnemen om haar te vragen om documenten op te sturen waaruit blijkt dat hij de vader is van haar kind. Nog daargelaten of de minister de verklaring van betrokkene dat hij geen contact meer heeft met zijn ex-vriendin geloofwaardig moet achten, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet heeft aangevoerd dat opnieuw contact opnemen met zijn ex-vriendin niet mogelijk is. De minister klaagt ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister van betrokkene niet mag vragen om bij de Algerijnse autoriteiten deze documenten op te vragen. De minister heeft namelijk niet alleen gevraagd om een geboorteakte, maar om documenten in het algemeen waaruit de geboorte blijkt. De minister klaagt verder terecht dat de rechtbank ten onrechte de op de zitting getoonde foto’s bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank en betrokkene hebben aan deze foto’s te veel gewicht toegekend. Zoals de minister namelijk terecht aanvoert, blijkt uit de foto’s niet dat betrokkene daadwerkelijk de vader van het kind is of dat de broers hem in verband met de geboorte van dat kind bedreigen.

3.5.    De tweede en de derde grief slagen.

4.       Met de eerste en de vierde grief betoogt de minister dat zijn standpunt dat de bedreiging door de broers van de ex-vriendin ongeloofwaardig is, wel zorgvuldig tot stand is gekomen en dat hij dit standpunt wel deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft daarover overwogen dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij van betrokkene mag verwachten dat hij kan verklaren hoe de broers van zijn ex-vriendin achter de relatie zijn gekomen. De rechtbank heeft daarover verder overwogen dat, voor zover de minister de zwangerschap van de ex-vriendin ongeloofwaardig acht, omdat deze niet zou stroken met de duur van de reisroute van betrokkene, dit niet genoeg is om het asielrelaas van betrokkene ongeloofwaardig te achten. Mogelijk heeft betrokkene in het aanmeldgehoor zijn reisroute niet volledig weergegeven of heeft hij het moment van geboorte verkeerd weergegeven, aldus de rechtbank.

4.1.    De minister betoogt terecht dat de rechtbank met dit oordeel niet heeft onderkend dat hij terecht in het nadeel van betrokkene bij zijn standpunt heeft betrokken dat hij summier heeft verklaard over de bedreigingen door de broers van zijn ex-vriendin. De minister heeft van betrokkene mogen verwachten dat hij uitgebreider en gedetailleerder verklaart over deze bedreigingen, omdat deze volgens betrokkene ten grondslag liggen aan zijn verzoek om internationale bescherming.

4.2.    De minister betoogt verder terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het argument dat de zwangerschap van de vriendin niet strookt met de verklaring van betrokkene over de reisroute die hij heeft afgelegd, niet het enige argument is dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat de verklaringen van betrokkene ongeloofwaardig zijn. De minister heeft tenslotte ook overwogen dat betrokkene in 2020 nog heeft verklaard geen kinderen te hebben, terwijl hij later heeft verklaard dat hij een in 2019 geboren kind heeft. De minister heeft verder overwogen dat betrokkene niets heeft verklaard over wat de eerwraaksituatie betekent voor zijn ex-vriendin, terwijl zij in deze situatie ook de nodige problemen zou moeten ondervinden.

4.3.    De minister heeft zich gelet op wat hierboven is overwogen op het standpunt mogen stellen dat het asielrelaas over de bedreigingen door de broers van de ex-vriendin ongeloofwaardig is. Het is niet nodig om wat de minister in deze grieven verder nog aanvoert te bespreken. De eerste en de vierde grief slagen.

5.       De vijfde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister nader onderzoek moet doen naar het standpunt van betrokkene dat de minister niet van hem mag verwachten dat hij aangifte doet of de hulp inroept van de autoriteiten, omdat dat zinloos zou zijn. Omdat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas op de hierboven besproken punten ongeloofwaardig is, hoeft de Afdeling de vijfde grief niet te bespreken.

6.       Uit wat de Afdeling hiervoor onder 3.3 heeft overwogen volgt dat de vraag over de uitleg van artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Voor het overige roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Conclusie

7.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 november 2024 in zaak nr. NL24.11428;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Schuurman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026

282-1097


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon