Uitspraak 202307383/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4822
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 3 juni 2021, aangevuld op 28 december 2022, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202307383/1/V1.
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2023 in zaak nr. NL21.9637 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 3 juni 2021, aangevuld op 28 december 2022, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Appellant, vertegenwoordigd door mr. M.L. Hoogendoorn, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 8 december 2020 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft hiertegen bij de rechtbank een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de aanvraag van betrokkene, met de Jemenitische nationaliteit, voor verblijf bij haar meerderjarige dochter, referent, afgewezen. Volgens de minister is er geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en betrokkene. Er bestaan tussen hen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid en de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in het nadeel van betrokkene uit. Betrokkene is geboren in 1956 en lijdt aan hypertensie, wervelkanaalstenose en artrose en heeft symptomen van ischias. Betrokkene en referent onderhouden telefonisch contact en referent regelt op afstand zorg voor betrokkene. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat deze wel bestaan.
Hoger beroep
2. De eerste grief van de minister richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er sinds het vertrek van referent in de loop der tijd op afstand bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen betrokkene en referent zijn ontstaan, omdat betrokkene hulpbehoevender is geworden en steeds afhankelijker is geworden van referent.
2.1. Zoals volgt uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.2 en 5.3, moet de minister bij zijn beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid alle individuele omstandigheden van het geval betrekken en is het aan de betrokkenen om omstandigheden aan te voeren waaruit volgens hen bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken.
Niet ter discussie staat dat er een hechte band bestaat tussen betrokkene en referent. De minister heeft in zijn beoordeling betrokken dat referent op afstand de zorg voor haar moeder coördineert en dat zij veel contact met elkaar onderhouden. De minister betoogt echter terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij onder verwijzing naar WI 2020/16 en IB 2022/80 deugdelijk heeft gemotiveerd dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid op afstand kunnen ontstaan, maar dat dit moeilijk voorstelbaar is. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:191, onder 2.2. De minister voert terecht aan dat ten tijde van het vertrek van referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestonden. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat betrokkene sinds 2016 niet meer samenwoont met referent en betrokkene ten tijde van het vertrek van referent in staat was om zelfstandig te functioneren. Hoewel de minister heeft erkend dat de gezondheidssituatie van betrokkene na 2021 is verslechterd, heeft hij hieruit niet de conclusie hoeven trekken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn ontstaan. Betrokkene wordt namelijk sinds de verslechtering van haar gezondheidssituatie geholpen door derden. Referent is in staat geweest om de zorg op afstand met behulp van anderen te coördineren. De Afdeling wijst ook op haar overwegingen bij de derde grief van de minister onder 4 van deze uitspraak.
De minister betoogt ten slotte terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verwijzing van betrokkene naar de algemene onveilige situatie in Jemen, evenmin leidt tot de conclusie dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister heeft namelijk de veiligheidssituatie bij zijn beoordeling betrokken, maar zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat dit niet maakt dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, onder meer omdat betrokkene onvoldoende heeft gespecificeerd in hoeverre de algemene veiligheidssituatie in haar specifieke geval een rol speelt.
De grief slaagt.
3. De minister klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij de financiële afhankelijkheid van betrokkene van referent heeft betrokken in zijn beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Dat betrokkene financieel van haar dochter afhankelijk is, maakt nog niet dat er daarom tussen hen ook bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister heeft er in zijn aanvullende motivering en ter zitting terecht op gewezen dat referent deze steun op afstand kan voortzetten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 6.5.
De grief slaagt.
4. In de derde grief klaagt de minister vervolgens terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij bij zijn beoordeling onvoldoende heeft meegenomen dat betrokkene voor haar verzorging afhankelijk is van referent, omdat zij op afstand de zorg voor betrokkene coördineert. De minister betoogt terecht dat hij al bij zijn beoordeling heeft betrokken dat referent op afstand betrokken is bij de zorg voor betrokkene. De Afdeling onderkent de lastige positie van betrokkene en de moeilijkheden om de zorg op afstand te regelen, maar de minister heeft hier terecht tegenover gezet dat het referent steeds is gelukt om de zorg te regelen. Hij heeft er namelijk terecht op gewezen dat betrokkene, weliswaar in verschillende samenstellingen, is geholpen door buren, een fysiotherapeut, vriendinnen en bekenden. Verder volgt uit de medische stukken die betrokkene heeft overgelegd niet precies welke zorg zij nodig heeft en ook niet dat referent de enige is die zorg kan verlenen aan betrokkene. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar eerdergenoemde uitspraak van 18 juli 2025, onder 6.2. Betrokkene heeft verder niet toegelicht dat het voor referent niet langer mogelijk is om de zorg op afstand te coördineren. De minister heeft dan ook deugdelijk gemotiveerd dat de medische situatie van betrokkene niet maakt dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen haar en referent. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
5. Gelet op het voorgaande klaagt de minister in zijn vierde grief ten slotte terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen betrokkene en referent. De minister heeft namelijk al met al deugdelijk gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
De grief slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. Het hogerberoepschrift roept verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden die de Afdeling na de overwegingen in hoger beroep nog moet bespreken. Omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, hoefde hij geen belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM te maken. De Afdeling wijst op eerdergenoemde uitspraak van 27 maart 2024, onder 5 tot en met 5.4. Wat betrokkene in beroep over die belangenafweging heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Het beroep is alsnog ongegrond. De minister heeft het besluit van 15 december 2025 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat de Afdeling die uitspraak vernietigt, vernietigt zij ook het besluit van 15 december 2025. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2023 in zaak nr. NL21.9637;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 december 2025, V-[…]
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026
977