Uitspraak BRS.26.004268
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4800
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 24 februari 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en verzoekers opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten. Bij uitspraak van 2 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvragen als ongegrond.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004268
ECLI:NL:RVS:2026:4800
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker A] en [verzoeker B],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2026 in zaken nrs. NL25.13376, NL25.13377 en NL25.13378 in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 24 februari 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en verzoekers opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 2 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvragen als ongegrond.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. De beoordeling van de grief vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die verzoekers naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026
987