Uitspraak BRS.26.003154
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4792
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003154
ECLI:NL:RVS:2026:4792
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juni 2026 in zaak nr. NL26.20367 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend. Op verzoek van de Afdeling heeft de minister hier schriftelijk op gereageerd.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 22 juni 2026. Het hoger beroepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat appellant heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026
1161-846