Uitspraak 202304650/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4875
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Bergen (NH) het bestemmingsplan "Limmerweg nabij 7 Egmond-Binnen" vastgesteld. Initiatiefnemer [partij] heeft al lange tijd een bloembollenkwekerij op het perceel [locatie 2] in Heiloo. Dit perceel heeft sinds 2005 een uit te werken woonbestemming. In 2016 heeft de gemeente Heiloo het proces daartoe in gang gezet. Daarom moet [partij] zijn bedrijf verplaatsen. Als nieuwe locatie is het perceel aan de Limmerweg in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH), gevonden. Dit perceel is al in eigendom van [partij]. Het bestemmingsplan voorziet voor dat perceel in een bouwvlak voor de vestiging van een bloembollenbedrijf. Het plan maakt een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw mogelijk. De op 9 juni 2023 verleende omgevingsvergunning betreft het bedrijfsgebouw. [appellant sub 1] betoogt dat verplaatsing van het bedrijf niet noodzakelijk is, omdat het bestemmingsplan voor woningbouw waarvoor het bedrijf zou moeten wijken, is vernietigd. [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of alternatieve locaties mogelijk waren voor de woningbouw.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Noord-Holland
Toon inhoud
202304650/1/R1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH),
3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH),
4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH),
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Bergen (NH),
2. het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH),
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Limmerweg nabij 7 Egmond-Binnen" vastgesteld.
Bij besluit van 9 juni 2023 heeft het college aan [partij A] en [partij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfspand op de kadastrale percelen C2842 en C2978 te Egmond-Binnen, gelegen ongeveer 70 m noord-noordwestelijk van het adres [locatie 1] in Egmond-Binnen (hierna: het perceel).
Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] beroep ingesteld.
De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een STAB-verslag uitgebracht. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.
De raad, [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2A] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juni 2026, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3] en [appellant sub 3A], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. R. Fa-Si-Oen, zijn verschenen. Voorts is op de zitting als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, [partij B] en [persoon].
[partij] heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 31 mei 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dit gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inleiding
6. Initiatiefnemer [partij] heeft al lange tijd een bloembollenkwekerij op het perceel [locatie 2] in Heiloo. Dit perceel heeft sinds 2005 een uit te werken woonbestemming. In 2016 heeft de gemeente Heiloo het proces daartoe in gang gezet. Daarom moet [partij] zijn bedrijf verplaatsen. Als nieuwe locatie is het perceel aan de Limmerweg in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH), gevonden. Dit perceel is al in eigendom van [partij]. Het bestemmingsplan voorziet voor dat perceel in een bouwvlak voor de vestiging van een bloembollenbedrijf. Het plan maakt een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw mogelijk. De op 9 juni 2023 verleende omgevingsvergunning betreft het bedrijfsgebouw. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.
Noodzaak
7. [appellant sub 1] betoogt dat verplaatsing van het bedrijf niet noodzakelijk is, omdat het bestemmingsplan voor woningbouw waarvoor het bedrijf zou moeten wijken, is vernietigd.
7.1. Op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening wijst de raad bestemmingen aan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Om een nieuwe bestemming in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening te kunnen achten is niet vereist dat de nieuwe bestemming noodzakelijk is. In zoverre slaagt het betoog niet.
Voor zover het betoog zo moet worden opgevat dat geen behoefte bestaat aan het plan, slaagt het betoog evenmin. Het bedrijf van [partij] heeft immers concrete plannen om de hoofdlocatie van het bedrijf naar het plangebied te verplaatsen. Deze verplaatsing is nodig om op de oude locatie plaats te maken voor woningbouw. Deze woningbouw is weliswaar uitgesteld, maar de raad en het college hebben op de zitting verklaard dat de inzet van buurgemeente Heiloo nog steeds is om daar woningen te bouwen. Zo is voor deze woningbouw een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. [appellant sub 1] heeft geen aanknopingspunten aangereikt op basis waarvan de Afdeling aan deze verklaring moet twijfelen.
Alternatieven
8. [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of alternatieve locaties mogelijk waren voor de woningbouw.
8.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. Er staat in de plantoelichting dat bij de voorbereiding van het plan drie alternatieven zijn overwogen. Vermeld is waarom is gekozen voor de planlocatie en niet voor een van die alternatieven. [appellant sub 1] heeft geen redenen naar voren gebracht die leiden tot de conclusie dat deze toelichting niet kan worden gevolgd.
8.2. [appellant sub 1] heeft verder ook geen concrete alternatieve locaties aangedragen. Daarom kan haar betoog niet leiden tot het oordeel dat de raad de voorkeur aan een specifieke andere locatie had moeten geven.
Het betoog slaagt niet.
Ladder duurzame verstedelijking
9. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling in strijd met de zogeheten ladder voor duurzame verstedelijking. Zij wijzen in dit verband op artikel 6.46, derde lid, van de Omgevingsverordening NH2020. Deze bepaling heeft betrekking op gronden die behoren tot het bijzonder provinciaal landschap. [appellant sub 2] wijst tevens op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
9.1. De in deze uitspraak aan de orde zijnde regels over nieuwe stedelijke ontwikkelingen uit het Bro en de Omgevingsverordening NH2020 zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
9.2. In de overzichtsuitspraak van de Afdeling over de ladder voor duurzame verstedelijking (28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) staat onder 6.2 "Onder meer de volgende ontwikkelingen zijn door de Afdeling niet als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, aangemerkt: (…) gronden waaraan een agrarische bestemming is toegekend (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1438)."
Anders dan [appellant sub 4] betoogt, gaat deze uitspraak ook over de situatie waarin een bestemmingsplan voor gronden met een agrarische bestemming voorziet in een nieuw bouwvlak voor een agrarisch bedrijf. In de uitspraak van 25 mei 2016, die in de overzichtsuitspraak is aangehaald, was deze situatie aan de orde.
9.3. Deze uitleg geldt ook voor de Omgevingsverordening NH2020, omdat daarin in bijlage 1, onder 90, voor de definitie van een stedelijke ontwikkeling wordt verwezen naar het Bro.
9.4. De conclusie is dat het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 6.46, derde lid, van de Omgevingsverordening NH2020. Het betoog slaagt niet.
Kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap
10. [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap (BPL) als bedoeld in artikel 6.46 van de Omgevingsverordening NH2020. Hierbij voeren zij aan dat de motivering van het plan en het overleg met de provincie gingen over een eerdere versie van de provinciale verordening waarin het gebied nog niet als BPL was aangewezen.
[appellant sub 1] wijst, los van de Omgevingsverordening NH2020, op de toeristische waarde van het behoud van het doorzicht in het bollenland.
10.1. Uit het vierde lid van artikel 6.46 van de Omgevingsverordening NH2020 volgt dat een ruimtelijke ontwikkeling zoals hier aan de orde de kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap (BPL) niet mag aantasten.
10.2. Het plangebied ligt in het BPL Noord-Kennemerland. In de plantoelichting heeft de raad aandacht besteed aan de effecten van het plan op de kernkwaliteiten van dit gebied, waaronder de doorzichten en zichtlijnen vanaf onder meer de Herenweg naar de open strandvlakte van de Vennewaterspolder.
De raad heeft toegelicht dat het plan weliswaar leidt tot toename van de bebouwing op de strandwal, maar dat de compacte perceelinrichting en de goot- en bouwhoogte zo zijn gekozen dat de invloed op het open landschap beperkt blijft. Het doorzicht naar de open strandvlakte blijft ondanks een kleine afname daarvan bestaan. Daarbij heeft de raad in aanmerking genomen dat de schuren en kassen zijn voorzien op 350 m van de Herenweg. Ook de invloed van het plan op de beleving vanaf de Limmerweg blijft beperkt, gelet op de voorwaardelijke verplichting om de landschappelijke inpassing te verwezenlijken en in stand te houden. Daarnaast komen de nieuwe schuren en kassen op 40 m van de Limmerweg achter de bedrijfswoning te liggen.
De Afdeling volgt het standpunt van de raad en ziet hiervoor bevestiging in het advies van de Adviesraad Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO). Daarin staan kanttekeningen die er onder meer op zijn gericht om alternatieve erfinrichtingen te onderzoeken. De aard van die kanttekeningen veronderstelt dat nieuwe bedrijfsbebouwing op deze locatie aanvaardbaar kan zijn. Inhoudelijk hebben de kanttekeningen geleid tot een verlaging van de nokhoogte. Daarnaast zijn drie alternatieve erfinrichtingen onderzocht.
Vast staat dat de motivering van het plan en het advies van de ARO betrekking hebben op een eerdere versie van de provinciale verordening waarin het gebied nog niet als BPL was aangewezen. Hierover heeft de raad toegelicht dat de ARO in haar advies heeft getoetst aan de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’. Daarin staan voor dit gebied dezelfde kernwaarden van het landschap. Het advies gaat in op openheid en doorzichten vanaf onder meer de Herenweg in oostelijke richting naar de strandvlakte. Daarnaast is het ontwerpplan op 26 oktober 2020, toen het gebied wel als BPL was aangewezen, in het kader van het vooroverleg nogmaals aan het provinciebestuur voorgelegd en akkoord bevonden.
Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het BPL en daarmee niet in strijd is met de Omgevingsverordening NH2020.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
11. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het verkeersonderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd, niet onafhankelijk is omdat het in opdracht van initiatiefnemer [partij] is opgesteld.
11.1. Aan het plan ligt het rapport "Bedrijfsverhuizing [partij A] naar de Limmerweg in Egmond-Binnen - Verkeerskundige analyse" (hierna: het verkeersonderzoek) van 14 april 2022, uitgevoerd door BuroDB, ten grondslag.
11.2. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient de raad op grond van artikel 3:2 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) de relevante feiten vast te stellen en de nodige kennis te vergaren over de af te wegen belangen. Daartoe hoeft de raad niet zelf alle benodigde onderzoeken te doen. De raad kan gebruik maken van onderzoeken die door derden zijn aangedragen, mits de raad zich ervan vergewist dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voor het oordeel dat dit niet het geval is geweest, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Dat het verkeersonderzoek in opdracht van [partij] is opgesteld, betekent niet dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd of dat de opsteller, BuroDB, niet onafhankelijk is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4328, onder 9.2. [appellant sub 1] heeft geen concrete aanwijzingen voor het tegendeel gegeven.
Het betoog slaagt niet.
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen betogen verder dat het verkeersonderzoek slechts een theoretisch rekenmodel is dat is gebaseerd op gegevens die door [partij] zijn aangereikt. Zij achten dit onderzoek niet realistisch.
12.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat verkeersmodellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven. De geldigheid van een model wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid.
Zoals in het STAB-verslag is opgemerkt, zijn er geen kencijfers voor de verkeersgeneratie van landbouwbedrijven voorhanden. Het verkeersonderzoek is daarom gebaseerd op gegevens die door [partij] zijn aangereikt. Voor zover de gegevens over de bedrijfsvoering en -processen van [partij] aanvankelijk onvoldoende specifiek waren, zijn deze nader gespecificeerd in bijlage 1 bij het verkeersonderzoek. De STAB concludeert dat deze gegevens niet onrealistisch zijn.
De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het verkeersonderzoek, door gebruikmaking van het model en de gegevens die door [partij] zijn aangereikt, niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het betoog slaagt niet.
13. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen vrezen dat het plan zal leiden tot een onveilige verkeerssituatie en verkeersoverlast voor omwonenden. Zij voeren aan dat het verkeersonderzoek geen rekening houdt met de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf van [partij] met 60 procent. De gemeente heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de bestaande verkeersintensiteit. Het wegennet is zeer smal en niet geschikt voor zwaar materieel.
13.1. In bijlage 1 bij het verkeersonderzoek is beschreven dat de broeierij op de nieuwe locatie uitbreidt van 1 miljoen naar 1,6 miljoen tulpen per jaar. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 3] kennelijk veronderstellen, is dit geen uitbreiding van het aantal bollen dat [partij] per jaar teelt. Dit aantal blijft gelijk. Wat wijzigt is dat er in de wintermaanden meer bollen van het land worden verwerkt in de eigen broeierij, zodat in de zomer minder bollen vervoerd worden naar externe broeierijen of exporteurs. Dit betekent dat een verschuiving aan de orde is van het tijdstip waarop de verkeersbewegingen zullen plaatsvinden.
In tabel 2.2 van het verkeersonderzoek staat het aantal verkeersbewegingen dat het perceel van [partij] aan de Limmerweg in de bestaande situatie genereert. Dat zijn er 678 per jaar, met een piek in juli (204 ritten). In tabel 2.3 staat het aantal bedrijfsmatige verkeersbewegingen dat het perceel van [partij] aan de Limmerweg in de nieuwe situatie genereert. Dat zijn er 1.326, ook weer met een piek in juli (174 ritten). Het aantal bedrijfsmatige ritten in de bestaande bedrijfssituatie aan de locatie 2] in Heiloo (tabel 2.1 van het verkeersonderzoek) bedraagt 1.754 per jaar, met een piek in juli (324 ritten). In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat het bedrijf in de nieuwe situatie na verplaatsing in totaal circa 428 ritten minder genereert. Het aantal bedrijfsgebonden verkeersbewegingen op de Limmerweg, inclusief de verplaatste bedrijfswoning, zal door het plan toenemen met circa 3.568 ritten per jaar, wat neerkomt op ongeveer tien ritten per etmaal. Daarbij wordt opgemerkt dat de verkeerstoename op de Limmerweg voornamelijk wordt veroorzaakt door de komst van de nieuwe bedrijfswoning aan de Limmerweg, en daarom grotendeels zal bestaan uit ritten van personenauto’s. In het verkeersonderzoek is de bestaande verkeersintensiteit op de Limmerweg aan de hand van de functies in de omgeving geschat op 1.000 mvt/etm. In het STAB-verslag staat dat die verkeersintensiteit niet onrealistisch voorkomt en dat de Limmerweg de bestaande verkeersintensiteit ruimschoots aan kan. De STAB heeft ook geen aanleiding gezien om kanttekeningen te plaatsen bij de conclusie in het verkeersrapport dat de toename van gemiddeld tien ritten per dag geen nadelige effecten zal hebben op de doorstroming van het verkeer op de Limmerweg. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben geen aanknopingspunten naar voren gebracht die aan deze conclusies doen twijfelen. Daarom heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen significante nadelige effecten zal hebben op de doorstroming en de verkeersveiligheid op de Limmerweg.
13.2. Het klopt dat de Limmerweg smal is. Ook is een aantal kruispunten, waaronder het kruispunt tussen de Limmerweg en het Groenelaantje, krap. De raad heeft evenwel kunnen stellen dat deze omstandigheden niet een zodanige verkeersonveiligheid en -overlast met zich brengen dat een heel kleine toename van de verkeersintensiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat mogelijk niet alle routes die zijn genoemd in het verkeersonderzoek reëel zijn, zoals [appellant sub 1] betoogt, leidt bij een dergelijke kleine toename niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt niet.
Gewasbestrijdingsmiddelen
14. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan leidt tot een bedreiging van de gezondheid van omwonenden door het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen.
14.1. De Afdeling stelt voorop dat bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het algemeen wordt een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht. Zie onder meer de uitspraak van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1840.
14.2. Het plangebied ligt in een bestaand bollengebied. De gronden in het plangebied en de omliggende gronden worden in de bestaande situatie al gebruikt voor bollenteelt. Voor zover op de gronden buiten het plangebied gewasbestrijdingsmiddelen worden gebruikt en dit gebruik wordt voortgezet, is dit niet het gevolg van het hier voorliggende plan.
14.3. Het plan voorziet in bedrijfsgebouwen en bollenteelt. Omdat hiermee opnieuw in bollenteelt wordt voorzien, behoeft dit met het oog op een goede ruimtelijke ordening ook wat betreft het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen een deugdelijke motivering.
Het plangebied ligt op meer dan 100 m van omliggende woningen. In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze afstand niet voldoende heeft kunnen achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad weliswaar geen locatiespecifiek onderzoek aan het plan ten grondslag heeft gelegd, maar dat daarvan in dit geval mocht worden afgezien omdat ruimschoots wordt voldaan aan een spuitvrije zone van 50 m. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben geen specifieke omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat de raad niet bij deze algemene vuistregel heeft kunnen aansluiten.
Het betoog slaagt niet.
Natuur - Soortenbescherming
15. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan beschermde diersoorten bedreigt. Volgens hen is er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de rugstreeppad, de kwikstaart en de patrijs in het plangebied voorkomen.
15.1. De vraag of een vrijstelling of ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is en kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Maar de raad mag het plan niet vaststellen voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling merkt op dat in deze procedure alleen kan worden beoordeeld of de raad op voorhand had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het nu voorliggende plan in de weg staat.
15.2. Aan het plan ligt een "Quickscan" Ecologie van 18 juni 2020, van Groot Eco Advies, ten grondslag. Deze is opgesteld na een veldbezoek. In de Quickscan staat dat tijdens het broedseizoen mogelijk een enkele broedvogel op de bollenakker tot broeden komt. Dit zou een kievit, scholekster of mogelijk een veldleeuwerik kunnen zijn. Daarbij is vermeld dat nesten van deze soorten alleen in het broedseizoen zijn beschermd.
In de Quickscan wordt geconcludeerd dat het plangebied geen potenties heeft voor beschermde soorten. Hieruit volgt dat geen ontheffing op grond van de Wnb noodzakelijk is.
15.3. [appellant sub 3] en anderen hebben geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de Quickscan onvolledig is. Weliswaar hebben zij stukken overgelegd waaruit blijkt dat de rugstreeppad in de omgeving voorkomt, maar deze stukken gaan niet specifiek over het plangebied. Hun stelling dat zij zelf hebben waargenomen dat in het plangebied beschermde soorten voorkomen is onvoldoende. Daarom heeft de raad mogen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Natuur - Natura 2000
16. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan leidt tot nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Noordhollands Duinreservaat". Zij wijzen op nadelige gevolgen door stikstofdepositie en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
16.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
16.2. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
16.3. De afstand tussen het Natura 2000-gebied en de dichtstbijzijnde woning van [appellant sub 3] en anderen bedraagt ongeveer 150 m.
Hoewel deze afstand verwevenheid niet op voorhand zou uitsluiten, is er in dit geval naar het oordeel van de Afdeling geen verwevenheid. Door tussenliggende bebouwing is er geen direct zicht vanuit de woning op het Natura 2000-gebied. Daarnaast ligt tussen de woning en het Natura 2000-gebied de weg N512.
16.4. Daarom strekken de normen van de Wnb kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant sub 3] en anderen. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het plan als gevolg van deze beroepsgrond wordt vernietigd. Daarom laat de Afdeling de beroepsgronden over het Natura 2000-gebied buiten beschouwing.
Overige beroepsgronden
17. Enkele appellanten betogen dat de raad in de nota van zienswijzen niet op alle punten van hun zienswijzen hebben gereageerd.
17.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.
De betogen slagen niet.
18. Wat appellanten voor het overige hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan gebreken bevat die tot vernietiging ervan kunnen leiden.
Conclusie over het bestemmingsplan
19. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen het bestemmingsplan ongegrond.
Conclusie over de omgevingsvergunning
20. Het bestemmingsplan vormde het toetsingskader voor de omgevingsvergunning. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de beroepen tegen het bestemmingsplan ongegrond. Appellanten hebben geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de omgevingsvergunning. Gelet hierop, en nu het bestemmingsplan overeind blijft, zijn de beroepen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning ook ongegrond.
Redelijke termijn
21. [partij A] en [partij B] hebben verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
21.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van de beroepschriften door de Afdeling.
21.2. De Afdeling heeft het eerste beroepschrift ontvangen op 21 juli 2023. De Afdeling doet vandaag uitspraak. Dat is ruim drie jaar na het instellen van het beroep. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim een jaar overschreden.
21.3. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [partij A] en [partij B] afzonderlijk toe te kennen schadevergoeding € 1.500,00, als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade.
21.4. De Afdeling ziet evenwel in de omstandigheid dat [partij A] en [partij B] gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag voor hen te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten dat gezamenlijk procedeert, met dien verstande dat aan appellanten minimaal 25% van dat bedrag wordt toegekend. Dat betekent dat aan [partij A] en [partij B] afzonderlijk een bedrag van € 750,00 moet worden toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk op te treden hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. De Afdeling wijst in dit verband op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van Arvanitaki-Roboti en 90 anderen tegen Griekenland, van 15 februari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0215JUD002727803. Daaruit volgt dat naar het oordeel van het Hof het feit dat een aantal klagers samen een procedure voert een dermate matigende invloed kan hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.
Proceskosten
22. Het college en de raad hoeven geen proceskosten te vergoeden.
23. De Staat moet de proceskosten vergoeden die [partij A] en [partij B] hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding van [partij A] en [partij B] toe;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:
- € 750,00 aan [partij A];
- € 750,00 aan [partij B];
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [partij A] en [partij B] in verband met de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 333,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Hupkes
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
635
BIJLAGE
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i
In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
Artikel 3.1.6, tweede lid
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De Omgevingsverordening NH2020
Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap
1. De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6.
(...)
3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.
4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.
5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.
6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan.
(...)
8. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien:
a. er sprake is van groot openbaar belang;
b. er geen reële alternatieven zijn; en
c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd.
(…)
Bijlage 1 - Begrippen, aanhef en onder 90
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
90. stedelijke ontwikkeling: ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening
Bestemmingsplan en vergunning voor bloembollenkwekerij in Egmond-Binnen
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Limmerweg nabij 7 in Egmond-Binnen’ dat de gemeenteraad van Bergen (NH) heeft vastgesteld en de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Bergen heeft verleend voor de bouw van een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw in Egmond-Binnen. Beide besluiten maken het mogelijk om een bloembollenkwekerij te verplaatsen van Heiloo naar Egmond-Binnen. De verplaatsing is noodzakelijk omdat de gemeente Heiloo op de oude locatie woningen wil bouwen. Tegen het plan en de vergunning zijn omwonenden van de nieuwe locatie in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij voeren een groot aantal bezwaren aan. Zo zou het bestemmingsplan leiden tot verkeersonveilige situaties en zou de komst van de kwekerij de landschappelijke waarden en de openheid van het gebied aantasten. Ook heeft de gemeenteraad volgens de omwonenden onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Verder zouden de beschermde gele kwikstaart en patrijs broeden in het gebied waar de kwekerij is gepland. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 15 juni 2026 op zitting behandeld.