Uitspraak BRS.26.003973
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4785
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003973
ECLI:NL:RVS:2026:4785
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 juli 2026 in zaak nr. NL26.39069 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 24 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de gronden a en d feitelijk juist zijn en dat daarom een risico op onttrekking kan worden aangenomen. Deze gronden zijn samen voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen (artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000). Daarnaast heeft de minister in de maatregel de gronden gemotiveerd aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval (artikel 5.6, derde lid, van het Vb 2000).
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen over grond k en de motivering van de gronden in het individuele geval, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hogerberoepschrift leidt voor het overige ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026
985