Uitspraak 202500742/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4786
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202500742/1/V2.
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 januari 2025 in zaak nr. NL23.14630 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag ingewilligd.
Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van appellant afgewezen om de minister te veroordelen in de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van dat beroep.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Hanna, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, omdat de minister alsnog een besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om vergoeding van zijn proceskosten afgewezen. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat appellant de asielaanvraag heeft ingediend op 30 oktober 2022. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou eindigen op 30 april 2023. De minister heeft met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengd. Dit betekent dat de beslistermijn op 30 januari 2024 is geëindigd. Gelet hierop heeft appellant de ingebrekestelling van 1 mei 2023 te vroeg ingediend. Het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de asielaanvraag is daarom niet-ontvankelijk en er bestaat geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant, volgens de rechtbank.
2. Appellant klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten ten onrechte heeft afgewezen. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd en dat appellant de minister daarom te vroeg in gebreke heeft gesteld.
2.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
2.2. De asielaanvraag van appellant van 30 oktober 2022 valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister tot en met 30 april 2023 de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van appellant. Gelet hierop heeft appellant de ingebrekestelling van 1 mei 2023 niet te vroeg ingediend. De minister is aan appellant tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten van appellant te veroordelen.
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het verzoek heeft afgewezen om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag heeft gemaakt. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 januari 2025, in zaak nr. NL23.14630, voor zover de rechtbank het verzoek om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag heeft gemaakt, heeft afgewezen;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026
307-1113