Uitspraak 202506189/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4864
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het definitief plaatsingsplan "Besluit van het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost tot het aanwijzen en opheffen van afvalinzamellocaties nabij Kamerlingh Onneslaan 32 en Kamerlingh Onneslaan 1" vastgesteld. In het besluit heeft het college onder meer de locatie 1097DG-32, ter hoogte van de Kamerlingh Onneslaan 32 vlakbij het appartementencomplex van VvE Frankenhof, aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse afvalcontainers. Eén van de ondergrondse afvalcontainers is voor restafval en de ander is voor oud papier en karton. Verder is bij het besluit de locatie 1097DE-1 opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één bovengrondse afvalcontainer voor restafval. VvE Frankenhof vindt de locatie 1097DG-32 om verschillende redenen, waaronder de verkeersveiligheid, ongeschikt voor de plaatsing van de ondergrondse containers. VvE Frankenhof betoogt dat de locatie 1097DG-32 niet geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers omdat de plaatsing van afvalcontainers tot verkeersonveilige situaties zal leiden. Ter onderbouwing wijst zij er ten eerste op dat het plaatsen van de afvalcontainers op de locatie tot gevolg heeft dat gebruikers over het nabijgelegen fietspad zullen moeten lopen om de afvalcontainers te kunnen gebruiken.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202506189/1/R1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Vereniging van Eigenaren Frankenhof, gevestigd in Amsterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2025 heeft het college het definitief plaatsingsplan "Besluit van het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost tot het aanwijzen en opheffen van afvalinzamellocaties nabij Kamerlingh Onneslaan 32 en Kamerlingh Onneslaan 1" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft VvE Frankenhof beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. van Ee en ing. H. Yildirim, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In het besluit heeft het college onder meer de locatie 1097DG-32, ter hoogte van de Kamerlingh Onneslaan 32 vlakbij het appartementencomplex van VvE Frankenhof, aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse afvalcontainers. Eén van de ondergrondse afvalcontainers is voor restafval en de ander is voor oud papier en karton. Verder is bij het besluit de locatie 1097DE-1 opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één bovengrondse afvalcontainer voor restafval.
VvE Frankenhof vindt de locatie 1097DG-32 om verschillende redenen, waaronder de verkeersveiligheid, ongeschikt voor de plaatsing van de ondergrondse containers.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de afvalcontainer.
Geschiktheid - verkeersveiligheid
3. VvE Frankenhof betoogt dat de locatie 1097DG-32 niet geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers omdat de plaatsing van afvalcontainers tot verkeersonveilige situaties zal leiden. Ter onderbouwing wijst zij er ten eerste op dat het plaatsen van de afvalcontainers op de locatie tot gevolg heeft dat gebruikers over het nabijgelegen fietspad zullen moeten lopen om de afvalcontainers te kunnen gebruiken.
Ten tweede zullen bewoners volgens VvE Frankenhof vuil naast de afvalcontainers gaan plaatsen. Hierdoor komt dit vuil mogelijk op het nabijgelegen fietspad terecht, wat tot gevolg heeft dat fietsers zullen uitwijken naar het voetpad.
3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de locatie 1097DG-32 wel geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers. De plaatsing van afvalcontainers zal volgens het college niet tot verkeersonveilige situaties leiden.
3.2. De Afdeling overweegt dat het college op de zitting heeft toegelicht dat de afvalcontainers zodanig worden gepositioneerd, dat de openingen niet zijn gericht naar het fietspad of naar de hieraan parallel gelegen rijbaan. De gebruikers zullen daarom niet aan de zijde van het fietspad of van de rijbaan staan tijdens het gebruiken van de afvalcontainers. De gebruikers zullen slechts kort over het fietspad moeten lopen, waarna zij voldoende ruimte hebben om zich voor het gebruiken van de afvalcontainers op te stellen. Gelet hierop heeft het college in de vrees voor onveilige verkeerssituaties vanwege het lopen van gebruikers over het nabijgelegen fietspad geen reden hoeven vinden om af te zien van het aanwijzen van de locatie.
De Afdeling overweegt verder dat bewoners bij normaal gebruik van de afvalcontainer het afval in de container plaatsen en niet ernaast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het onjuist aanbieden van afval een kwestie van handhaving. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1). Gelet hierop heeft het college in de vrees voor onveilige verkeerssituaties vanwege vuil dat naast de containers wordt geplaatst geen reden hoeven vinden om af te zien van het aanwijzen van de locatie. In dat verband heeft de Afdeling ook kennis genomen van de toelichting van het college dat bijplaatsingen van grof afval bij de aanbiedlocatie bij de gemeente kunnen worden gemeld.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de plaatsing van afvalcontainers niet tot verkeersonveilige situaties zal leiden.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid - parkeerdruk
4. VvE Frankenhof betoogt verder dat de locatie 1097DG-32 niet geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers omdat bij de plaatsing van de afvalcontainers twee parkeerplaatsen verloren gaan. VvE Frankenhof heeft liever dat deze parkeerplaatsen behouden blijven en worden voorzien van een laadpaal. VvE Frankenhof wijst erop dat er al een hoge parkeerdruk in de buurt is en dat er in de buurt weinig laadpalen ter beschikking staan.
4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de locatie 1097DG-32 wel geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers.
4.2. De Afdeling overweegt dat er met de plaatsing van de afvalcontainers slechts één parkeerplaats verloren gaat. Verder heeft het college toegelicht dat het om een advies heeft gevraagd bij de afdeling parkeren. Volgens het college volgt uit dit advies dat het verdwijnen van één parkeerplaats geen onaanvaardbare gevolgen voor de parkeerdruk heeft. VvE Frankenhof heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerdruk zodanig is dat één parkeerplaats niet verloren mocht gaan.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de plaatsing van afvalcontainers niet tot een onaanvaardbare verhoging van de parkeerdruk zal leiden.
De Afdeling overweegt verder dat de omstandigheid dat VvE Frankenhof graag parkeerplaatsen met laadpaal op de locatie ziet, geen omstandigheid is die maakt dat de locatie niet geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over de geschiktheid
5. Gelet op het voorgaande heeft het college de locatie geschikt mogen achten voor het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers.
Alternatieve locatie
6. VvE Frankenhof betoogt verder dat de locatie 1097DE-1 - de met het besluit opgeheven locatie - een geschiktere locatie is voor het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers. Ter onderbouwing hiervan wijst VvE Frankenhof erop dat de locatie 1097DE-1 is gelegen op een vrije ruimte waar niemand er last van heeft.
6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de locatie 1097DE-1 niet geschikt is voor het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers.
6.2. In overweging 5 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
6.3. De Afdeling overweegt dat op de locatie 1097DE-1 een bovengrondse afvalcontainer staat. Het college heeft toegelicht dat naar aanleiding van een negatief boomadvies de locatie 1097DE-1 niet is aangewezen voor het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers. Volgens het college is het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers op die locatie niet wenselijk vanwege de wortelopdruk van de nabij deze locatie staande bomen. Ook beperkt het de groeiruimte van die bomen en dat zou kunnen leiden tot wortelschade aan die bomen. De Afdeling ziet in wat VvE Frankenhof heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van het college te twijfelen.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de alternatieve locatie van VvE Frankenhof niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie, dat het college voor de alternatieve locatie had moeten kiezen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
703-1188