Uitspraak BRS.26.002432
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4714
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002432 en BRS.26.003649
ECLI:NL:RVS:2026:4714
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2026 in zaak nr. NL25.59735 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.A.S. Jansen, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat appellant na het overlijden van haar echtgenoot problemen met de Ugandese autoriteiten heeft ondervonden. De minister heeft bij de geloofwaardigheidsbeoordeling alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van appellant geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De verklaringen van appellant voor de ongerijmd- en vaagheden maken de verklaringen niet alsnog samenhangend en aannemelijk en leiden niet tot het oordeel dat de rechtbank had moeten overwegen dat de minister het asielrelaas geloofwaardig had moeten vinden.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag of het in deze zaak toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de verplichting uit het Unierecht om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien en daarbij alle verklaringen en documenten te betrekken, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026
307-1113