Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.000711

Uitspraak BRS.25.000711

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4768
Datum uitspraak
17 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, ingewilligd.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.000711
ECLI:NL:RVS:2026:4768
Datum uitspraak: 17 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 mei 2025 in zaak nr. NL23.40747 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, ingewilligd.

Bij besluit van 21 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.R. den Toonder, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.        Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft op 1 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 wegens een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Betrokkene beoogt verblijf bij haar zoon (referent), die is geboren op [geboortedatum] 2005 en die de Nederlandse nationaliteit heeft.

1.1.        De minister heeft de aanvraag ingewilligd en aan betrokkene een verblijfsdocument verstrekt dat geldig was tot [datum] 2023, de datum waarop referent meerderjarig is geworden. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat de minister volgens haar ten onrechte geen verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar heeft verstrekt. Deze verkorte verblijfsduur is volgens betrokkene in strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat referent onder het beleid uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 (het jongvolwassenenbeleid) valt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het jongvolwassenenbeleid niet op referent van toepassing is, omdat hij een fulltime baan heeft en met dat inkomen in zijn eigen onderhoud voorziet. De minister acht zijn besluit daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

1.2.        De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet. Volgens de rechtbank dragen andere familie- en gezinsleden van betrokkene namelijk ook bij aan het gezinsinkomen, waardoor onduidelijk blijft welke bijdrage referent levert aan het gezinsinkomen. De rechtbank heeft de minister daarom opgedragen om nader onderzoek te verrichten naar de aard en hoogte van het gezinsinkomen en om naar aanleiding daarvan een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Hoger beroep van de minister

2.        In zijn enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat de minister zonder nader onderzoek naar de aard en hoogte van de gezinsinkomsten niet heeft kunnen concluderen dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet en daarom niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. De minister betoogt dat hij alle relevante individuele omstandigheden van betrokkene en referent heeft betrokken in zijn beoordeling en dat hij zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Bovendien heeft de rechtbank in haar uitspraak niet onderkend dat het in de eerste plaats aan betrokkene is om zo veel mogelijk individuele feiten en omstandigheden aan te voeren en toe te lichten, aldus de minister. De minister betoogt dat de rechtbank hem daarom ten onrechte heeft opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.1.        De minister betoogt terecht dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De minister voert namelijk terecht aan dat het in de eerste plaats aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat er familie- en gezinsleven bestaat tussen haar en referent. Dit betekent dat betrokkene aannemelijk moet maken dat referent voldoet aan alle vereisten uit het jongvolwassenenbeleid, waaronder het vereiste dat referent niet in zijn eigen onderhoud voorziet.

2.2.        Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de minister in zijn besluit op bezwaar deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de feiten en omstandigheden die informatie geven over het inkomen van referent. Hierbij heeft de minister terecht gewezen op het feit dat referent een fulltime baan heeft, waarmee hij ten minste het wettelijk minimumloon verdient. Daarnaast heeft de minister in zijn besluit op bezwaar terecht betrokken dat referent tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij met zijn loon zichzelf onderhoudt en betrokkene gedeeltelijk financieel ondersteunt. Ook mocht de minister relevant vinden dat betrokkene tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat het niet nodig is dat zij referent financieel ondersteunt als zij zou werken. De minister heeft zich op basis van deze feiten en omstandigheden deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet. Omdat het jongvolwassenenbeleid cumulatieve vereisten bevat, heeft de minister er terecht op gewezen dat het voorzien in eigen onderhoud door referent al maakt dat dit beleid niet op hem van toepassing is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, onder 3 tot en met 4.

2.3.        Vervolgens moet betrokkene gemotiveerd en zo mogelijk met feiten onderbouwd aanvoeren waarom referent volgens haar toch onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hierover heeft betrokkene aangevoerd dat zij met referent inwoont bij haar moeder en dat andere familie- en gezinsleden ook een bijdrage aan het gezinsinkomen leveren. Deze omstandigheden nemen echter niet weg dat referent in zijn eigen levensonderhoud voorziet. De minister heeft zich dus deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent geen familie- en gezinsleven heeft met betrokkene op grond van het jongvolwassenenbeleid.

2.4.        De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen betrokkene en referent. Het besluit van 21 december 2023 is niet in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De grief slaagt.

2.5.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hofvan 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Beroep

4.        Betrokkene betoogt dat de minister niet heeft beoordeeld of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen betrokkene en referent. Ook heeft de minister volgens betrokkene ten onrechte de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van betrokkene en referent laten uitvallen.

5.        Omdat betrokkene niet de benodigde stukken heeft overgelegd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat er een meer dan normale afhankelijkheid bestaat tussen haar en referent. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen haar en referent. Dit onderdeel van de beroepsgrond slaagt niet.

6.        Het betoog over de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM slaagt ook niet, gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4, heeft overwogen. De minister heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen betrokkene en referent geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft hij alle individuele feiten en omstandigheden van betrokkene en referent betrokken. De minister mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. De vraag of de belangenafweging deugt, behoeft daarom geen beantwoording.

7.        Het beroepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Conclusie

8.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 mei 2025 in zaak nr. NL23.40747;

III.        verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Van den Oosterkamp
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026

91-1173


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon