Uitspraak 202403045/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4854
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maashorst geweigerd om aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor de duur van twee jaar op het perceel aan de [locatie] in Odiliapeel. [appellante] wil een kleinschalige zorgboerderij met een hondenkennel, een hondenfokkerij en dagbesteding realiseren op het perceel, waar een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning van een voormalige varkenshouderij staan. Om de hondenfokkerij te realiseren wil [appellante] het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning verbouwen. Tijdens de verbouwing wenst [appellante] een tijdelijke woonunit als woonruimte te gebruiken. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 2017" laat geen tweede woonfunctie toe op het perceel. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan en het plaatsen van de tijdelijke woonunit. [appellante] is het niet eens met het besluit van het college van B&W en vindt dat een hondenfokkerij niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij".
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202403045/1/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Zeeland, gemeente Maashorst,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 april 2024 in zaak nr. 23/1269 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maashorst.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2022 heeft het college geweigerd om aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor de duur van twee jaar op het perceel aan de [locatie] in Odiliapeel (het perceel).
Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2022, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Bij uitspraak van 2 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Kok, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] wil een kleinschalige zorgboerderij met een hondenkennel, een hondenfokkerij en dagbesteding realiseren op het perceel, waar een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning van een voormalige varkenshouderij staan. Om de hondenfokkerij te realiseren wil [appellante] het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning verbouwen. Tijdens de verbouwing wenst [appellante] een tijdelijke woonunit als woonruimte te gebruiken. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 2017" laat geen tweede woonfunctie toe op het perceel. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan en het plaatsen van de tijdelijke woonunit.
Het college heeft ter invulling van zijn bevoegdheid om voor het plaatsen van tijdelijke woonunits af te wijken van het bestemmingsplan beleid vastgesteld, namelijk de Beleidslijn Tijdelijke Woonruimte (de Beleidslijn). Daarin staat dat uit objectieve gegevens moet blijken dat een tijdelijke woonunit noodzakelijk is. Volgens het college ontbreekt de noodzaak, omdat een hondenfokkerij niet is toegestaan op grond van de op het perceel rustende agrarische bestemming. De tijdelijke woonunit is volgens het college daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
[appellante] is het hier niet mee eens en vindt dat een hondenfokkerij niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij".
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit heeft kunnen weigeren. Volgens de rechtbank is een hondenfokkerij in strijd met de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Het college heeft zich volgens de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de tijdelijke woonunit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat niet wordt voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium uit de Beleidslijn.
Is een hondenfokkerij in strijd met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij"?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hondenfokkerij in strijd is met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Hiertoe voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt. Volgens [appellante] vindt de bedrijfsvoering in overwegende mate in gebouwen plaats. De honden hebben weinig buitenruimte en zijn geheel, althans in overwegende mate, aangewezen op het binnenverblijf. Volgens [appellante] is de hondenfokkerij een intensieve veehouderij.
Verder voert [appellante] aan dat de hondenfokkerij een agrarisch bedrijf is, waaraan inherent is dat de bedrijfsvoering overwegend in gebouwen plaatsvindt. Dat in de begripsbepaling van intensieve veehouderij geen honden worden genoemd, is volgens [appellante] niet relevant. Het gaat om de wijze waarop de dieren worden gehouden en niet om de categorie dieren. Wanneer sprake is van een agrarisch bedrijf, is het ruimtelijk gezien ook niet relevant welke dieren in de gebouwen worden gehouden.
Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:398, niet zonder meer relevant is voor deze zaak. In deze uitspraak werd in de definitie van "agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij" van het betreffende bestemmingsplan gerefereerd aan een rundveemesterij, varkens-, vleeskalveren-, pluimvee-, pelsdieren-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie daarvan, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen. Dat was volgens [appellante] voor de Afdeling geen beletsel om ook een hondenfokkerij als een agrarisch bedrijf en een intensieve veehouderij aan te merken.
4.1. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Uit artikel 3.1 van de planregels volgt dat de voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende agrarische voorzieningen, en grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens een intensieve veehouderij is toegestaan.
4.2. Van agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie is, naar ook niet in geschil is, geen sprake.
Van een grondgebonden agrarisch bedrijf is naar het oordeel van de Afdeling ook geen sprake. Een grondgebonden agrarisch bedrijf is volgens de begripsbepaling van artikel 1 van de planregels een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Zoals [appellante] zelf ook betoogt, vindt de bedrijfsvoering van de hondenfokkerij overwegend in gebouwen plaats. De hondenfokkerij is daarom geen grondgebonden agrarisch bedrijf.
[appellante] kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de hondenfokkerij een intensieve veehouderij is. Een intensieve veehouderij is volgens de begripsbepaling van artikel 1 van de planregels een veehouderij met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals een rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van een grondgebonden melkrundveehouderij. Een veehouderij is volgens de begripsbepaling van artikel 1 van de planregels een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Het fokken van honden wordt in deze limitatieve opsomming niet genoemd. Een hondenfokkerij voldoet daarom niet aan de definitie van veehouderij, waardoor er van een intensieve veehouderij evenmin sprake kan zijn. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat een hondenfokkerij in strijd is met het bestemmingsplan.
De vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013 over het bestemmingsplan "Buitengebied Someren", ECLI:NL:RVS:2013:398, gaat niet op. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ging het in die uitspraak om een ander beoordelingskader en een andere situatie.
Het betoog slaagt niet.
Het noodzakelijkheidscriterium uit de Beleidslijn
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium uit de Beleidslijn, en dat om die reden de tijdelijke woonunit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens [appellante] kent de rechtbank het college te veel beoordelingsruimte toe. De woonunit is volgens [appellante] noodzakelijk, omdat het een vervangende woonruimte is voor de bestaande bedrijfswoning op het perceel.
5.1. Bij toetsing aan het noodzakelijkheidscriterium uit de Beleidslijn heeft het college beoordelingsruimte. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de tijdelijke woonunit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat niet wordt voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium uit de Beleidslijn. Omdat de woonunit zal worden gebruikt gedurende de realisatie van een hondenfokkerij die daar, zoals hiervoor is overwogen, niet is toegestaan, is een tijdelijke woonunit ten behoeve van de realisatie daarvan niet noodzakelijk. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit heeft kunnen weigeren.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
6. Voor zover [appellante] haar in beroep aangevoerde gronden in hoger beroep heeft herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in haar uitspraak op die gronden is ingegaan. [appellante] heeft, behalve wat hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig zou hebben gedaan. Gelet hierop kan de enkele verwijzing naar wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
429-1191