Uitspraak 202502857/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4853
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan Hollands Venetië een last onder dwangsom opgelegd. Uit de controlerapportages van 25 augustus 2024 en 29 augustus 2024 blijkt dat de toezichthouder tijdens een standaard controle op deze data een overtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023 (VFL) waarnam. Hij heeft twee maal een sloep zien varen en het geluid van een explosiemotor gehoord. Hij heeft daarvan foto’s gemaakt en gerapporteerd dat hij het geluid uit de richting van de sloep hoorde komen. Hem was ambtshalve bekend dat de sloepen, met rondvaartbootkentekens R-106-A en R-107-A, bij Hollands Venetië hoorden. Op grond van artikel 22:3, eerste lid, van de VFL, is het verboden een rondvaarboot voort te bewegen binnen de gemeente met een verbrandingsmotor. Volgens het college blijkt uit de rapportages dat sprake is van een overtreding van de VFL. Hollands Venetië betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er een overtreding was. Het is aan het college om te bewijzen dat de sloepen bedrijfsmatig werden gebruikt voor rondvaarten met gasten.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
- Verordeningen
Toon inhoud
202502857/1/A3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
V.O.F. Hollands Venetië en anderen (Hollands Venetië), gevestigd in Giethoorn, gemeente Steenwijkerland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 april 2025 in zaak nr. 24/4448 in het geding tussen:
Hollands Venetië
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college aan Hollands Venetië een last onder dwangsom opgelegd.
Bij uitspraak van 8 april 2025 heeft de rechtbank het door Hollands Venetië daartegen ingestelde rechtstreekse beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Hollands Venetië hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2026, waar Hollands Venetië, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. de Boer, advocaat in Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door G. Holtjer en E. van der Lelie zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Uit de controlerapportages van 25 augustus 2024 en 29 augustus 2024 blijkt dat de toezichthouder tijdens een standaard controle op deze data een overtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023 (VFL) waarnam. Hij heeft twee maal een sloep zien varen en het geluid van een explosiemotor gehoord. Hij heeft daarvan foto’s gemaakt en gerapporteerd dat hij het geluid uit de richting van de sloep hoorde komen. Hem was ambtshalve bekend dat de sloepen, met rondvaartbootkentekens R-106-A en R-107-A, bij Hollands Venetië hoorden. Op grond van artikel 22:3, eerste lid, van de VFL, is het verboden een rondvaarboot voort te bewegen binnen de gemeente met een verbrandingsmotor. Volgens het college blijkt uit de rapportages dat sprake is van een overtreding van de VFL. Het heeft Hollands Venetië gelast de overtreding te stoppen en gestopt te houden. Anders verbeurt zij per boot een bedrag van € 2.500,00, per dag als de overtreding opnieuw wordt gezien, met een maximum van € 5.000,00.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft vastgesteld dat artikel 22:3, eerste lid, van de VFL is overtreden. Op grond van deze verordening is het verboden om met een rondvaartboot te varen met gebruikmaking van een verbrandingsmotor. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze rondvaartboten van Hollands Venetië zijn, met kentekens R-106-A en R-107-A. Anders dan Hollands Venetië betoogt, blijkt uit de rapportages van de toezichthouder voldoende duidelijk dat deze rondvaartboten van Hollands Venetië rondvoeren met een verbrandingsmotor op 25 en 29 augustus 2024. Voor zover Hollands Venetië stelt dat haar rondvaartboten toen niet voeren met gasten, had het op de weg van Hollands Venetië gelegen dit te concretiseren, door bijvoorbeeld inzage te geven in haar administratie. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat haar beroepsgrond niet op.
Volgens de rechtbank is de last niet onevenwichtig. Het is geen bijzonder geval waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien. Er is geen concreet zicht op legalisatie. De vraag of het college aan Hollands Venetië een ontheffing had moeten verlenen, heeft de rechtbank in de uitspraak met zaaknummer ZWO 24/2443, ontkennend beantwoord. Dat de last tot gevolg heeft dat Hollands Venetië haar sloepen moet ombouwen naar elektrische sloepen, dan wel dat Hollands Venetië nieuwe (elektrische) sloepen moet aanschaffen, maakt de last ook niet onevenwichtig. Dit is een keuze van Hollands Venetië. De last onder dwangsom verplicht Hollands Venetië hier niet toe, maar heeft alleen tot doel om de overtreding door het varen met de rondvaartboten met verbrandingsmotor te voorkomen.
Hoger beroep
3. Hollands Venetië betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er een overtreding was. Het is aan het college om te bewijzen dat de sloepen bedrijfsmatig werden gebruikt voor rondvaarten met gasten. De rechtbank overweegt ten onrechte dat het op haar weg had gelegen te concretiseren dat zij niet met gasten voer. Dit is een omkering van bewijslast.
Hollands Venetië betoogt daarnaast dat er wel concreet zicht bestaat op legalisatie. Volgens rechtspraak van de Afdeling moet er voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie een ontvankelijke aanvraag bij het bevoegde gezag zijn. Dat de aanvraag om de ontheffing is afgewezen maakt niet uit. Volgens Hollands Venetië is de afwijzing nog niet onherroepelijk, omdat een positieve uitspraak in de samenhangende procedure zou betekenen dat de ontheffing alsnog moet worden verleend.
Hollands Venetië betoogt dat zij niet gehoord is voordat een last onder dwangsom is opgelegd. Hierdoor heeft zij zich niet goed kunnen verweren. Het college had moeten volstaan met een waarschuwing.
Beoordeling
4. De gronden die Hollands Venetië in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Hollands Venetië heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.1 en 4.3 opgenomen overwegingen, waarop dit oordeel is gebaseerd. Gelet op de uitspraak van de Afdeling in de samenhangende zaak met nummer 202502853/1/A3 heeft het college de aanvraag om een ontheffing mogen afwijzen. Hollands Venetië is voldoende in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze naar voren te brengen en heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd dat de sloepen, die door Hollands Venetië bedrijfsmatig werden gebruikt voor rondvaarten op 25 en 29 augustus 2024 toch anders dan bedrijfsmatig werden gebruikt.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr N. Verheij, en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
802-1158