Uitspraak 202505345/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4851
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras afgewezen. Op 24 oktober 2024 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras behorend bij zijn woonboot aan de [locatie 1]. Het college heeft de ligplaatsvergunning geweigerd omdat het drijvend terras niet voldoet aan de maximale afmetingen. Het drijvend terras is namelijk 0,9 meter diep, terwijl de diepte op grond van artikel 1 van de Verordening op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag (VOB) maximaal 0,6 meter mag zijn.
- Hoger beroep
- Verordeningen
Toon inhoud
202505345/1/A3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2025 in zaak nr. 25/2109 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juli 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. van Ommeren, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 24 oktober 2024 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras behorend bij zijn woonboot aan de [locatie 1]. Het college heeft de ligplaatsvergunning geweigerd omdat het drijvend terras niet voldoet aan de maximale afmetingen. Het drijvend terras is namelijk 0,9 meter diep, terwijl de diepte op grond van artikel 1 van de Verordening op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag (VOB) maximaal 0,6 meter mag zijn.
Relevante wet- en regelgeving
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de ligplaatsvergunning heeft mogen weigeren. Het drijvend terras is namelijk te diep. Verder slaagt het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet. De drijvende terrassen van de buren waar hij in dat kader naar verwijst lagen er namelijk al voordat er op 1 juni 2012 nieuwe regels in werking waren getreden, en in de voor 1 juni 2012 geldende Verordening op de Binnenwateren waren geen regels opgenomen over de maximale diepte van een drijvend terras. Omdat het drijvend terras van [appellant] na 1 juni 2012 is geplaatst en daarmee, in tegenstelling tot de drijvende terrassen van de buren, valt onder de nieuwere regels, heeft het college [appellant] niet hetzelfde hoeven te behandelen als zijn buren.
Hoger beroep
4. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de situatie bij zijn buren aan de [locatie 2] niet gelijk is aan die van hem. Uit de vergunning van zijn buren aan de [locatie 2] blijkt namelijk volgens [appellant] dat er in 2012 geen drijvend terras was. Ook blijkt uit luchtfoto’s van 2012, 2014 en 2015 dat de buren geen drijvend terras hadden. Volgens hem is er dus wel sprake van gelijke gevallen en moet zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen. Verder wijst [appellant] erop dat zijn drijvend terras bestaat uit de betonnen bak van een oude woonboot die al voor 2012 in Den Haag aanwezig was. Zijn drijvend terras valt volgens hem daarom onder de overgangsregeling.
Gelijkheidsbeginsel
5. Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting erkend dat [appellant] er terecht op heeft gewezen dat het college ten onrechte bij de rechtbank heeft betoogd dat het drijvend terras van de buren aan de [locatie 2] er al voor 2012 lag. Hierdoor is de rechtbank van een onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan. Het college heeft verder in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht en op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat er geen ligplaatsvergunning is verleend voor dat drijvend terras en dat dit er dus illegaal ligt. Het college heeft daarbij aangegeven dat hierop gehandhaafd zal moeten worden. In zoverre is dan ook geen sprake van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld. Beide terrassen voldoen niet aan de regelgeving en anders dan [appellant] stelt is voor het terras van de buren geen vergunning verleend.
5.1. Het betoogt slaagt niet.
Overgangsregeling
6. Anders dan [appellant] betoogt, valt zijn drijvend terras niet onder de overgangsregeling. Er is namelijk niet gebleken dat er voor 1 juni 2012 een vergunning was verleend voor zijn drijvend terras. De overgangsregeling is alleen al daarom niet van toepassing op het drijvend terras.
6.1. Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
7. [appellant] heeft op de zitting op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de weigering van de vergunning voor het drijvend terras.
8. Uit deze uitspraak volgt dat er geen sprake is van één van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde gevallen die kunnen leiden tot een vergoeding van door een belanghebbende geleden schade. Het besluit tot weigering van de vergunning is immers rechtmatig. De Afdeling zal het verzoek van [appellant] daarom afwijzen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust. Het verzoek om schadevergoeding wijst de Afdeling af.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
844-1199
BIJLAGE - Relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
[…]
Verordening op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag
Artikel 1
Deze verordening verstaat onder:
(…)
Drijvend terras:
een schip of drijvende inrichting gebruikt als onoverdekt terras ten behoeve van een woonschip en passend binnen het ligplaatsenplan, waarvan de maximale breedte 5 m, de maximale lengte 20 m en de maximale diepgang 0,60 m bedraagt;
(…)
Artikel 22
(…)
2. Een ligplaatsvergunning wordt eveneens geweigerd indien:
(…)
e. het schip waarvoor vergunning wordt gevraagd, niet past binnen de maximale maatvoeringsbepalingen zoals omschreven in deze verordening of de daarop gebaseerde regels;
(…)
Artikel 41
1. Vergunningen voor het verblijf van woonschepen, die zijn verleend ingevolge de Verordening op binnenwateren en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, gelden als een vergunning krachtens onderhavige verordening en blijven geldig onder de destijds gestelde voorschriften en beperkingen.
(…)