Uitspraak BRS.26.003724
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4697
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 27 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij geweigerd betrokkenen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003724
ECLI:NL:RVS:2026:4697
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 juli 2026 in zaken nrs. NL26.18713, NL26.18714, NL26.18715 en NL26.18716 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 27 maart 2026 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij geweigerd betrokkenen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 14 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de minister opgedragen binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak nieuwe besluiten te nemen en daarbij aan betrokkene 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met als ingangsdatum 8 augustus 2023 te verlenen en aan betrokkenen 2, 3 en 4 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is dat aan betrokkene 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden verleend. De minister klaagt in hoger beroep ten aanzien van betrokkene 1 alleen over de opdracht van de rechtbank om een vergunning te verlenen met als ingangsdatum 8 augustus 2023.
3. Gelet op de belangen die de minister en betrokkenen hierover naar voren hebben gebracht, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af voor zover de minister heeft verzocht dat hij geen nieuw besluit hoeft te nemen en daarbij aan betrokkene 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verlenen, voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe voor zover de minister heeft verzocht dat hij geen verblijfsvergunning asiel met als ingangsdatum 8 augustus 2023 hoeft te verlenen, voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
4. Dit betekent dat de minister wel de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voor zover hieruit volgt dat hij aan betrokkene 1 binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verlenen, maar niet dat deze verblijfsvergunning asiel de ingangsdatum 8 augustus 2023 moet hebben.
5. Gelet op de overige belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank daarin de minister heeft opgedragen om aan betrokkenen 2, 3 en 4 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af, voor zover de minister van Asiel en Migratie heeft verzocht dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank hem heeft opgedragen om binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen en daarbij aan betrokkene 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen;
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank hem daarin heeft opgedragen om de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van betrokkene 1 op 8 augustus 2023 te stellen;
III. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank hem daarin heeft opgedragen om binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak nieuwe besluiten te nemen en aan betrokkenen 2, 3 en 4 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
987