Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202502818/1/A2

Uitspraak 202502818/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4850
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam moet een nieuw besluit nemen of een gezin met twee jonge, zieke kinderen voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. Met zo'n verklaring komt het gezin sneller in aanmerking voor een (andere) sociale huurwoning. De ouders vroegen de urgentieverklaring aan omdat zij met twee ernstige zieke kinderen in een woning op de derde verdieping wonen. De kinderen moeten regelmatig geopereerd worden. Ze slapen in een stapelbed, maar de oudste zoon kan door zijn aandoening niet zelf in het bovenste bed komen. Ook het appartement zelf is lastig te bereiken, omdat de lift vaak stuk is waardoor de ouders de kinderen moeten tillen. De oudste zoon heeft daarbij autisme en gedragsproblemen. Dit heeft tot psychische klachten geleid bij een van de ouders. Het college van B&W heeft de gevraagde urgentieverklaring afgewezen, omdat de ouders schulden hebben die niet zijn geregeld. Ook vindt het college dat het de hardheidsclausule niet hoeft toe te passen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college de hardheidsclausule alleen in zeer uitzonderlijke situaties hoeft toe te passen, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam en het belang van een rechtvaardige verdeling van beschikbare woonruimte. In Amsterdam geldt daarbij dat als aanvragers een beroep doen op medische problematiek, uit een verklaring van een medisch specialist moet volgen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat het college in dit uitzonderlijke geval aanleiding had moeten zien om de GGD-arts om advies te vragen in het kader van de hardheidsclausule. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de huidige woonsituatie een zeer beperkende negatieve invloed heeft op het herstel van de kinderen na hun operaties. De ernstige vorm van autisme van de oudste zoon heeft ook negatieve gevolgen voor de jongste zoon en voor een van de ouders die door de ziekte van de kinderen en de woonsituatie een psychische stoornis heeft ontwikkeld.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202502818/1/A2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2025 in zaak nr. 23/6008 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2023 heeft het college de aanvraag van [appellanten] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:2843) heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. T.A. Vetter, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door F.M.E. Schuttenhelm, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellanten] hebben twee kinderen, [kind A] (geboren op [geboortedatum] 2017) en [kind B] (geboren op [geboortedatum] 2020). Beide kinderen hebben een ernstige vorm van een erfelijke botziekte, hereditaire multipele exostosen/multipele osteochondromen (HME/MO). Bij deze aandoening ontstaat vaak pijn door druk van goedaardige bottumoren op spieren, pezen en zenuwen. Daardoor moeten zij regelmatig geopereerd worden. Na een operatie zijn zij voor hun revalidatie tijdelijk afhankelijk van een rolstoel. [kind A] heeft een gehandicaptenparkeerkaart, omdat hij niet meer dan 100 meter kan lopen. Daarnaast heeft [kind A] autisme en gedragsproblemen. [kind A] zit op het speciaal onderwijs. [kind B] zit op het speciaal basisonderwijs.

2.       [appellanten] wonen met hun kinderen in een tweekamerwoning van 61 m2 op de derde verdieping. De kinderen slapen in een stapelbed, in dezelfde kamer als hun ouders. Door de pijn kan [kind A] niet zelf in het stapelbed klimmen, maar is hij daarbij afhankelijk van zijn ouders. Ook is de lift in het gebouw vaak stuk, waardoor [appellanten] hun kinderen vaak de trap op moeten tillen. [appellant A] heeft door deze situatie last van psychische klachten, waarvoor hij bij een psychiater in behandeling is.

3.       [appellanten] hebben op 23 februari 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. In de aanvraag hebben zij toegelicht dat zij in hun gezin ernstige medische en psychische problemen hebben. Deze problemen worden verergerd door hun woonsituatie, aldus [appellanten].

4.       Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellanten] schulden hebben die niet zijn geregeld. Zij hebben een schuld van in totaal € 44.000,00. Ook hebben [appellanten] volgens het college een gezin gesticht zonder hiervoor passende woonruimte te hebben. Het college heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

5.       [appellanten] hebben op 18 juni 2025 een nieuwe aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Op de zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat deze aanvraag in behandeling is, maar dat hierop nog niet is beslist.

6.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

7.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen. Uit de Huisvestingsverordening 2020 en de Nadere regels Huisvestingsverordening 2020 (Nadere regels) volgt dat de aanvraag van een urgentieverklaring wordt geweigerd als de aanvrager niet in staat is om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Dat is het geval als er schulden zijn die niet zijn geregeld. Het college heeft in de Nadere regels de voorwaarde gesteld dat de schulden moeten zijn gesaneerd of dat met de sanering een start is gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door aanmelding bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam of bij de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Dat hebben [appellanten] niet gedaan. Dit betekent dat de schuldenlast niet definitief is geregeld. Daardoor kunnen de schulden oplopen of schuldeisers andere voorwaarden stellen aan de aflossing. Het beleid van het college is niet onredelijk. Het college heeft hiervan ook niet op grond van artikel 4:84 van de Awb hoeven afwijken. [appellanten] ontvangen bijstand en staan onder bewind, maar dit betekent nog niet dat de schulden zijn geregeld.

Het college heeft de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. [appellanten] hebben diverse stukken ingebracht om de botziekte van de kinderen, de autisme en gedragsproblemen van [kind A] en de psychische klachten van [appellant A] te onderbouwen. Uit deze stukken blijkt niet dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem op basis waarvan het college medisch advies had moeten inwinnen. De woonoppervlakte van 61 m2 is in overeenstemming met de gemiddeld aangewezen woonoppervlakte voor een gezin. Als een woning voldoende oppervlakte heeft, maar onvoldoende kamers, moet het woonprobleem in beginsel worden opgelost door de woning anders in te delen.

De afwijzing van de aanvraag is ook niet onevenredig. De belangen van [kind A] en [kind B] zijn onderkend en meegewogen bij de belangenafweging. Er zijn geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van de kinderen zodanige ernstige gebreken vertoont dat per direct voorrang op de woningmarkt moet worden verleend. Vanwege het grote tekort aan betaalbare woonruimte in Amsterdam mocht het college het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van [appellanten] om met voorrang een woning toegewezen te krijgen, ook bij de moeilijke omstandigheden waarin zij met hun kinderen verkeren, aldus de rechtbank.

Hoger beroep en de beoordeling daarvan

Algemene weigeringsgronden

8.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen, omdat zij schulden hebben die niet zijn geregeld.

8.1.    Wat [appellanten] in hoger beroep hierover aanvoeren, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellanten] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8-10 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Hardheidsclausule

9.       [appellanten] betogen verder dat de rechtbank een verkeerd beoordelingskader heeft toegepast bij de vraag of de hardheidsclausule van toepassing is. Onduidelijk is op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat zij een acuut levensbedreigend probleem moesten aantonen in plaats van dat zij in een schrijnende situatie verkeren. Zij betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college medisch advies had moeten vragen aan de GGD om kennis te vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen. In dat verband wijzen [appellanten] op de botziekte en de gedragsproblemen van [kind A] en [kind B] en de psychische problemen van [appellant A].

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713, onder 8.2), mag het college tot uitgangspunt nemen dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam en het belang van een rechtvaardige verdeling van beschikbare woonruimte. Een aanvrager die niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring en een beroep doet op toepassing van de hardheidsclausule wegens medische problematiek moet daarom aantonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Daarbij stelt het college als eis dat dit moet blijken uit een verklaring van een medisch specialist.

De uitspraken waarnaar [appellanten] hebben verwezen en waaruit volgens hen blijkt dat de rechtbank een verkeerd beoordelingskader heeft toegepast, gaan niet over paragraaf 24 van hoofdstuk 1 van de Nadere regels zoals die gelden sinds 1 januari 2022 en waarin aanvullende voorwaarden zijn opgenomen waaraan een aanvrager moet voldoen om in aanmerking te komen voor de toepassing van de hardheidsclausule, dan wel hebben geen betrekking op een aanvraag op medische gronden.

9.2.    In zoverre slaagt het betoog van [appellanten] niet. De vraag resteert of de rechtbank gelet op dit beoordelingskader terecht heeft overwogen dat het college in dit geval geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule.

9.3.    [appellanten] hebben meerdere (medische) stukken overgelegd van diverse specialisten die bij het gezin betrokken zijn, waaronder een brief van orthopedisch chirurg A.L. van der Zwan van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis (OLVG) van 14 november 2024, een brief van S. Brands, kinder- en jeugdpsychiater van De Bascule, en N. Hulshof, de GZ-psycholoog van de school van [kind A], van 1 december 2023, een brief van psychiater C.C. Liesdek van GGZ Bronze B.V. van 4 juli 2023, een brief van kinderarts C.A. Ruys van het Amsterdam UMC van 17 augustus 2023 en een medische verklaring van orthopedisch chirurg A.L. van der Zwan van het OLVG van 22 november 2022.

9.4.    De door [appellanten] overgelegde stukken van de diverse specialisten geven blijk van een zeer complexe situatie binnen een gezin, waar meerdere chronische lichamelijke ziekten en psychische aandoeningen al dan niet in combinatie bij verschillende leden van het gezin spelen. In deze stukken zijn concrete aanknopingspunten te vinden voor de conclusie dat de situatie in het gezin van [appellanten] voor één of meer gezinsleden mogelijk acuut levensbedreigend is. Hierin had het college aanleiding had moeten zien om de GGD in het kader van de hardheidsclausule medisch advies te vragen. De GGD had hierover informatie kunnen inwinnen bij de behandelend artsen van [appellant A], [kind A] en [kind B]. In dit verband is van belang dat uit de overgelegde stukken volgt dat [kind A] en [kind B] een ernstige vorm van de ongeneeslijke botziekte HME/MO hebben en zij hierdoor, zeker in deze levensfase waarin zij groeien, met regelmaat geopereerd moeten worden. Uit de stukken leidt de Afdeling af dat de huidige woonsituatie een zeer beperkende, negatieve invloed heeft op het herstel van [kind A] en [kind B] na de frequente operaties. Daar komt bij dat [kind A] ook een ernstige vorm van autisme en gedragsproblemen heeft. Zoals [appellanten] op zitting hebben toegelicht, heeft dit ook invloed op het psychische welbevinden van [kind B]. Verder volgt uit de overgelegde stukken dat [appellant A] als gevolg van de ziekte van de kinderen en de woonsituatie een depressieve stemmingsstoornis heeft ontwikkeld. Het had op de weg van het college gelegen om ook meer kennis te vergaren over de psychische problematiek van [appellant A] en de gevolgen hiervan voor de zorg voor [kind A] en [kind B] in de huidige woonsituatie. Het college had in het kader van zorgvuldige besluitvorming in dit uitzonderlijke geval de GGD-arts om advies moeten vragen en zich over de ernst van de medische situatie van het gezin van [appellanten] moeten laten informeren.

9.5.    Het betoog slaagt.

Conclusie

10.     Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [appellanten] gegrond en vernietigt zij het besluit van 6 september 2023, omdat dit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

11.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

12.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2025 in zaak nr. 23/6008;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van het college van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 6 september 2023, kenmerk WO.23.010053.001;

V.       draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen twaalf weken na deze uitspraak met inachtneming van wat hierin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

VI.      bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 339,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.

w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Oskam
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

1067

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Huisvestingsverordening Amsterdam 2020

Artikel 2.10.5

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…].

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

[…]

h. de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;

[…]

Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

2. Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.

Nadere regels Huisvestingsverordening 2020

4. Schulden (HVV artikel 2.10.5, lid 1h)

Aanvragen van personen die niet aantonen dat ze met zekerheid kunnen voorzien in kosten van bewoning worden geweigerd op basis van HVV artikel 2.10.5, lid 1h). Dit betekent dat de aanvrager heeft gezorgd voor een situatie van langdurige financiële stabiliteit. Als er sprake is van schulden gelden de onderstaande voorwaarden:

a. De aanvrager beschikt over een overzicht van de schulden alsmede een daarop aansluitend en per schuld gespecificeerd Plan van Aanpak van de schulden, opgesteld en gewaarmerkt door een bureau voor schuldhulpverlening, erkend en gefinancierd door de gemeente.

b. Afhankelijk van de aard en omvang van de schulden, de inkomsten en verdere situatie, dient de aanvrager één of meer van de volgende regelingen te hebben getroffen:

- sanering op basis van een minnelijke regeling, met behulp van een saneringskrediet van de Kredietbank Amsterdam (GKA);

- sanering op basis van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP);

- inhouding van vaste lasten als voorwaarde vastgelegd in de beschikking van de bijstandsuitkering, indien de aanvrager inkomen uit bijstand heeft;

- een regeling voor budgetbeheer of inkomensbeheer bij team Fibu of een instelling voor Maatschappelijke Dienstverlening (MaDi’s) erkend door de gemeente (Centram, Sezo, Doras, Civic, Dynamo, ABC Alliantie, Puur Zuid of Madi Zuidoost, Versa Papelaan 99 Weesp);

- een door de rechter verplicht gestelde regeling voor beschermingsbewind.

c. Het college oordeelt per situatie welke van de regelingen onder b) noodzakelijk zijn als waarborg voor langdurige financiële stabiliteit van de aanvrager van urgentie.

24 Hardheidsclausule (artikel 2.10.11)

Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek

Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon