Uitspraak 202504924/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4715
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft op 8 maart 2021 op grond van de Subsidieregeling groot onderhoud en restauratie Rijksmonumenten provincie Groningen 2020 (GRRG 2020) opnieuw subsidie aangevraagd voor de restauratie van het rijksmonument aan de [locatie] in [plaats], nadat het college een eerdere aanvraag van hem had afgewezen. Het college heeft deze tweede aanvraag bij besluit van 22 juni 2021 afgewezen. Het college heeft de afwijzing in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 gehandhaafd. Het college heeft bij besluit van 25 maart 2025, op basis van de eerdere aanvraag voor subsidie op grond van de GRRG 2020, aan [appellant] subsidie verleend voor een bedrag van maximaal € 128.976,00. [appellant] heeft tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Subsidie
Toon inhoud
202504924/1/A2.
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juli 2025 in zaak nr. 24/1352 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Groningen.
Openbare zitting gehouden op 10 augustus 2026 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden
Griffier: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant]
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2884, van de rechtbank Noord-Nederland.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Motivering
Voorgeschiedenis
1. [appellant] heeft op 8 maart 2021 op grond van de Subsidieregeling groot onderhoud en restauratie Rijksmonumenten provincie Groningen 2020 (GRRG 2020) opnieuw subsidie aangevraagd voor de restauratie van het rijksmonument aan de [locatie] in [plaats], nadat het college een eerdere aanvraag van hem had afgewezen. Het college heeft deze tweede aanvraag bij besluit van 22 juni 2021 afgewezen. Het college heeft de afwijzing in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 gehandhaafd.
2. Het college heeft bij besluit van 25 maart 2025, op basis van de eerdere aanvraag voor subsidie op grond van de GRRG 2020, aan [appellant] subsidie verleend voor een bedrag van maximaal € 128.976,00. [appellant] heeft tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Dat beroep is bij de rechtbank geregistreerd als LEE 25/1767.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] door de subsidieverlening bij besluit van 25 maart 2025 geen procesbelang meer heeft. De nog bestaande geschilpunten tussen [appellant] en het college kunnen in de procedure over het besluit van 25 maart 2025 aan de orde komen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep en oordeel Afdeling
4. [appellant] is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen procesbelang meer heeft en zijn beroep daarom niet-ontvankelijk is. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat het college het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht moet vergoeden.
4.1. In geschil is of de rechtbank in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond had moeten zien om het college te gelasten om het betaalde griffierecht te vergoeden. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Als zich een dergelijke grond voordoet, is op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoeding van het griffierecht mogelijk. Voor het antwoord op de vraag of vergoeding van het griffierecht is aangewezen, wordt geen onderscheid gemaakt tussen degenen die hun beroep intrekken en om een proceskostenveroordeling krachtens artikel 8:75a van de Awb vragen en degenen die hun beroep handhaven (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2290, onder 7).
Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of wegens gewijzigde omstandigheden (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2014, onder 5.3).
4.2. De reden voor het vervallen van procesbelang is dat het college bij besluit van 25 maart 2025 aan [appellant] subsidie heeft verleend op grond van de GRRG 2020. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een andere aanvraag dan in onderhavige procedure voorligt. Dit betekent dat het college in deze procedure niet aan [appellant] is tegemoetgekomen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten bepalen dat het college het door [appellant] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht moet vergoeden.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
1067