Uitspraak 202505268/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4713
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 18 december 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in ieder geval één algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 van toepassing is; er is niet voldaan aan de bindingseis. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Dit betekent dat slechts met een geslaagd beroep op de hardheidsclausule een urgentieverklaring kan worden verkregen.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202505268/1/A2.
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2025 in zaak nr. 25/696 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 10 augustus 2026 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. A. Sarioglu, advocaat in Amsterdam, en vergezeld door J. Lakjaa, tolk;
het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.G. van den Boorn.
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 18 december 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 december 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
De rechtbank heeft geoordeeld dat in ieder geval één algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 van toepassing is; er is niet voldaan aan de bindingseis. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Dit betekent dat slechts met een geslaagd beroep op de hardheidsclausule een urgentieverklaring kan worden verkregen.
De gronden die [appellant] in hoger beroep ten aanzien van de hardheidsclausule heeft aangevoerd komen er in de kern op neer dat hij het niet eens is met wat de rechtbank over de situatie van zijn minderjarige kinderen heeft overwogen. Hij benoemt dat de woning zodanig klein is dat de kinderen zich nauwelijks kunnen bewegen of spelen in de woning en niet tot rust kunnen komen. [appellant] doet een beroep op artikel 8 van het EVRM en artikelen 3 en 27 van het Kinderrechtenverdrag. Zijn kinderen zullen een ontwikkelingsachterstand oplopen en dat moet worden voorkomen. Volgens hem verkeren zijn kinderen in een zeer schrijnende situatie op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank heeft dit volgens hem niet onderkend.
De Afdeling constateert dat de rechtbank in haar uitspraak gemotiveerd hierop is ingegaan. In overweging 6 heeft de rechtbank in het kader van de hardheidsclausule het beroep van [appellant] op internationale verdragen en het evenredigheidsbeginsel besproken en geoordeeld dat het besluit onder de streep niet onredelijk bezwarend is voor [appellant] en dat het college zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank.
Daar voegt de Afdeling aan toe dat [appellant] ook in hoger beroep geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het op dit moment niet goed gaat met de kinderen van [appellant] of dat zij achterblijven in hun ontwikkeling.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
1064