Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601441/2/A2

Uitspraak 202601441/2/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4711
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen. [wederpartij] heeft van 2009 tot en met 2012 kinderopvangtoeslag ontvangen. Op 7 december 2020 heeft zij verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010, 2011 en 2012 neerwaarts is bijgesteld op basis van kinderopvanggegevens en inkomensgegevens. Volgens de Dienst Toeslagen is niet gebleken van institutionele vooringenomenheid of van de kwalificatie Opzet of Grove Schuld (O/GS). Dit besluit heeft de Dienst Toeslagen in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] in aanmerking komt voor de forfaitaire Catshuisvergoeding van € 30.000,00. De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen daarom opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen en het definitieve compensatiebedrag vast te stellen. De Dienst Toeslagen is het hiermee niet eens en heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist.
  • Voorlopige voorziening
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601441/2/A2.
Datum uitspraak: 13 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:

de Dienst Toeslagen,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 31 maart 2026 in zaak nr. 25/1571 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen.

Bij besluit van 3 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2025 vernietigd en de Dienst Toeslagen opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben de Dienst Toeslagen en [wederpartij] hoger beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd [gemachtigden], en [wederpartij], bijgestaan door mr. M. Hoefs, advocaat in Alkmaar, en vergezeld door [persoon], zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [wederpartij] heeft van 2009 tot en met 2012 kinderopvangtoeslag ontvangen. Op 7 december 2020 heeft zij verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010, 2011 en 2012 neerwaarts is bijgesteld op basis van kinderopvanggegevens en inkomensgegevens. Volgens de Dienst Toeslagen is niet gebleken van institutionele vooringenomenheid of van de kwalificatie Opzet of Grove Schuld (O/GS). Dit besluit heeft de Dienst Toeslagen in bezwaar gehandhaafd.

2.       De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard voor zover dit betrekking had op de kinderopvangtoeslag voor 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor dit toeslagjaar sprake geweest van het (onnodig) breed uitvragen van bewijsstukken. Kennelijk werd door de Dienst Toeslagen getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte gegevens wat moet worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Voor het overige heeft de rechtbank [wederpartij] geen gelijk gegeven. Volgens de rechtbank is niet gebleken van institutionele vooringenomenheid over de jaren 2009, 2011 en 2012, heeft het meetellen van de ontslagvergoeding van de echtgenoot van [wederpartij] niet geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard die het gevolg was van de hardheid van het wettelijke systeem tot 23 oktober 2019 en zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd. Zij komt daarom niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] in aanmerking komt voor de forfaitaire Catshuisvergoeding van € 30.000,00. De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen daarom opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen en het definitieve compensatiebedrag vast te stellen. De Dienst Toeslagen is het hiermee niet eens en heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist.

4.       De vraag of de rechtbank het handelen van de Dienst Toeslagen in het toeslagjaar 2010 terecht heeft gekwalificeerd als institutionele vooringenomenheid leent zich niet voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningsprocedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de uitspraak op het hoger beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.

5.       Volgens de Dienst Toeslagen zou het ten uitvoer brengen van de bestreden uitspraak zijn hoger beroep zinledig maken. De Dienst Toeslagen heeft te kennen gegeven dat als een aanvrager eenmaal is aangemerkt als gedupeerde en aan de aanvrager herstelmaatregelen zijn toegekend, hij die beslissing gestand doet. Aan ouders wordt bij de besluitvorming namelijk toegezegd dat zij uitgekeerde compensatie nooit hoeven terug te betalen. Dat betekent dat als [wederpartij] als gedupeerde wordt aangemerkt en zij in aanmerking komt voor herstelmaatregelen op de voet van de Wet hersteloperatie toeslagen, dit niet wordt teruggedraaid en [wederpartij] de uitgekeerde compensatie niet hoeft terug te betalen. Dit geldt ook als het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond blijkt te zijn en de grondslag voor de toegekende compensatie van [wederpartij] door vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wegvalt.

6.       Hoewel [wederpartij] terecht heeft aangevoerd dat dit beleid een keuze is van de Dienst Toeslagen, acht de Afdeling dit beleid tegen de achtergrond van de toeslagenaffaire goed navolgbaar. De Dienst Toeslagen heeft het terecht zeer onwenselijk geacht dat ouders in het kader van de hersteloperatie mogelijk opnieuw worden geconfronteerd met de terugvordering van een (grote) geldsom. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank mogelijk gevolgen meebrengt waarin het oordeel in hoger beroep geen verandering meer zal brengen. De Dienst Toeslagen heeft daarom belang bij het niet hoeven uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist.

7.       Tegenover het belang van de Dienst Toeslagen staan de belangen van [wederpartij]. Er is de voorzieningenrechter niet gebleken van onmiddellijke zwaarwegende belangen aan de zijde van [wederpartij] die zouden moeten leiden tot afwijzing van het verzoek. Dit neemt niet weg dat het invoelbaar is dat [wederpartij] graag snel een nieuwe inhoudelijke beslissing op haar bezwaar wil. Op de zitting heeft zij toegelicht dat zij al sinds 2021 in onzekerheid verkeert en had gehoopt dat zij na de uitspraak van de rechtbank deze periode had kunnen afsluiten. Hoewel de Afdeling hier begrip voor heeft, weegt dit, gelet op wat hiervoor is uiteengezet, niet op tegen het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing van de uitspraak van de rechtbank.

8.       De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.

9.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 31 maart 2026 in zaak nr. 25/1571, totdat op het hoger beroep is beslist.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.

w.g. Den Ouden
voorzieningenrechter

w.g. Rietveld
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026

1064


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon