Uitspraak 202601891/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4686
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet basisregistratie personen om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen afgewezen. [wederpartij] heeft het college verzocht zijn persoonsgegevens te wijzigen in de brp. Het college heeft zijn verzoek afgewezen, omdat het college twijfelt over de geboorteverklaringen van [wederpartij] die zijn gebruikt voor de afgifte van zijn Nigeriaanse paspoort. [wederpartij] is het niet eens met dit besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het paspoort van [wederpartij] ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek. Volgens de rechtbank komt aan een paspoort grote bewijswaarde toe en moet in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort uit worden gegaan. Het college verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank en dus hangende het hoger beroep geen nieuw besluit op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te nemen.
- Voorlopige voorziening
- Basisregistratie
Toon inhoud
202601891/2/A3.
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2026 in zaak nr. 25/1121 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Rotterdam,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2024 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op een zitting behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.J.J. Straver en mr. S. Duinhouwer, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] heeft het college verzocht zijn persoonsgegevens te wijzigen in de brp. Het college heeft zijn verzoek afgewezen, omdat het college twijfelt over de geboorteverklaringen van [wederpartij] die zijn gebruikt voor de afgifte van zijn Nigeriaanse paspoort. [wederpartij] is het niet eens met dit besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het paspoort van [wederpartij] ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek. Volgens de rechtbank komt aan een paspoort grote bewijswaarde toe en moet in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort uit worden gegaan. Als het college de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, zal het aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. De rechtbank heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat het college twijfels heeft over de totstandkoming van de geboorteverklaringen en over het afgifteproces van het paspoort, is volgens de rechtbank onvoldoende. De rechtbank heeft in haar uitspraak bepaald dat het college in de nieuwe beoordeling het paspoort moet betrekken en als het twijfelt aan de echtheid daar onderzoek naar moet verrichten. Als het college bij het standpunt blijft dat vanwege gebreken in het afgifteproces aan het paspoort geen bewijswaarde toekomt en uitgaan van de gegevens in het paspoort strijd met de openbare orde oplevert, zal het college dit nader moeten motiveren. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college ook de in beroep ingebrachte nadere bewijsstukken in zijn beoordeling moet betrekken. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het college bij het nemen van het nieuwe besluit er rekening mee moet houden dat de ambtsberichten die dateren van vóór 2023 niet onverminderd van toepassing blijven, tenzij dat expliciet is opgenomen in het nieuwere ambtsbericht.
Verzoek om voorlopige voorziening
3. Het college verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank en dus hangende het hoger beroep geen nieuw besluit op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te nemen. Volgens het college heeft de uitspraak van de rechtbank als gevolg dat het college in het nieuwe besluit alleen nog maar uit mag gaan van het algemeen ambtsbericht Nigeria van 2023. Het college heeft ter onderbouwing van het standpunt dat het twijfelt aan de afgifte van de geboorteverklaring en het paspoort steeds verwezen naar het algemeen ambtsbericht Nigeria 2018. Daarin staan de voorwaarden voor de afgifte van een geboorteverklaring omschreven. Omdat deze voorwaarden niet meer worden beschreven in het ambtsbericht van 2023, zal uitvoering van de uitspraak van de rechtbank hoogstwaarschijnlijk leiden tot een toewijzing van het verzoek van [wederpartij]. Dat zou betekenen dat het college de gegevens van [wederpartij] in de brp moet wijzigen, terwijl het college het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Uitvoering geven aan de uitspraak van de rechtbank hangende het hoger beroep zou op gespannen voet staan met het belang dat de gegevens in de brp betrouwbaar en juist moeten zijn. Volgens het college bestaat de kans dat het hoger beroep gegrond wordt verklaard, waarna de in de brp geregistreerde persoonsgegevens opnieuw moeten worden gewijzigd.
Beoordeling van het verzoek
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van het college van 17 december 2024 niet goed is gemotiveerd. Daarom heeft de rechtbank aan het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen en, als het college bij diens oorspronkelijke standpunt wil blijven, dit nader te motiveren. In de uitspraak van de rechtbank leest de voorzieningenrechter niet dat het college daardoor geen andere mogelijkheid meer heeft dan het toewijzen van het verzoek van [wederpartij]. De rechtbank heeft het college er weliswaar op gewezen dat de informatie uit eerdere ambtsberichten niet onverminderd van toepassing blijft, maar dat houdt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in dat het in geen enkel geval meer mogelijk is om naar een ouder ambtsbericht te verwijzen, als dat maar wordt voorzien van een goede uitleg. Bovendien heeft het college verwezen naar een bron in het ambtsbericht van 2023 die een verband laat zien met de voorwaarden voor de afgifte van geboorteverklaringen zoals die ook worden omschreven in de oudere ambtsberichten. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat het college voldoende ruimte heeft om een nieuw besluit te nemen en dit van een nadere motivering te voorzien.
6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026
973