Uitspraak 202602009/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4669
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 26 april 2026 heeft de examencommissie van de Juridische Hogeschool Avans-Fontys een verzoek van [appellant] om een extra toetskans afgewezen. Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft het college van beroep voor de examens Avans-Fontys Kamer JHS het door [appellant] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] is in september 2025 begonnen met de hbo-opleiding Rechten. Het eerste studiejaar bestaat uit vier periodes, die elk worden afgerond met een beoordeling van een kennistoets, een zogenoemd beroepsproduct en een PPO-portfolio. In periode 3 heeft [appellant] een ‘niet voldaan’ gekregen voor het beroepsproduct, waarvoor hij zeven deelproducten heeft moeten inleveren en dat zeven studiepunten waard is. Om het beroepsproduct te halen moeten studenten ten minste een voldoende scoren voor elk van de zeven competenties die beschreven zijn in de rubric bij het beroepsproduct. [appellant] heeft een onvoldoende beoordeling gekregen voor de competentie beslissen, omdat hij volgens het docententeam niet in staat is geweest om de verplichte literatuur te gebruiken en hiernaar te verwijzen volgens de Leidraad voor juridische auteurs, zoals de rubric vereist. Deze onvoldoende beoordeling heeft tot de toekenning van de ‘niet voldaan’ geleid. [appellant] komt daardoor zeven studiepunten tekort om zijn propedeuse te halen. Hij heeft de examencommissie daarom verzocht om een extra toetskans voor het beroepsproduct, zodat hij dit alsnog kan halen en in september 2026 kan starten met de bacheloropleiding
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202602009/1/A2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van beroep voor de examens Avans-Fontys Kamer JHS (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 26 april 2026 heeft de examencommissie van de Juridische Hogeschool Avans-Fontys een verzoek van [appellant] om een extra toetskans afgewezen.
Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft het CBE het door [appellant] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen die beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar [appellant], en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.H.J. van Stokkom en mr. J.D. Wesseling, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is in september 2025 begonnen met de hbo-opleiding Rechten. Het eerste studiejaar bestaat uit vier periodes, die elk worden afgerond met een beoordeling van een kennistoets, een zogenoemd beroepsproduct en een PPO-portfolio. In periode 3 heeft [appellant] een ‘niet voldaan’ gekregen voor het beroepsproduct, waarvoor hij zeven deelproducten heeft moeten inleveren en dat zeven studiepunten waard is. Om het beroepsproduct te halen moeten studenten ten minste een voldoende scoren voor elk van de zeven competenties die beschreven zijn in de rubric bij het beroepsproduct. [appellant] heeft een onvoldoende beoordeling gekregen voor de competentie beslissen, omdat hij volgens het docententeam niet in staat is geweest om de verplichte literatuur te gebruiken en hiernaar te verwijzen volgens de Leidraad voor juridische auteurs, zoals de rubric vereist. Deze onvoldoende beoordeling heeft tot de toekenning van de ‘niet voldaan’ geleid.
2. [appellant] komt daardoor zeven studiepunten tekort om zijn propedeuse te halen. Hij heeft de examencommissie daarom verzocht om een extra toetskans voor het beroepsproduct, zodat hij dit alsnog kan halen en in september 2026 kan starten met de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Tilburg. De reden voor het verzoek is dat hij gedurende het studiejaar is gediagnosticeerd met de ziekte van Crohn en hiervoor sindsdien medicatie gebruikt. Volgens [appellant] hebben zijn ziekte en de bijwerkingen van zijn medicatie een grote impact gehad op zijn dagelijks functioneren en zijn studieproces, en kosten de behandelingen en de ziekenhuisafspraken veel tijd.
3. De examencommissie heeft het verzoek van [appellant] op 26 april 2026 afgewezen. Hoewel zij begrip heeft voor zijn persoonlijke omstandigheden, staan die in onvoldoende causaal verband met het behaalde resultaat voor het beroepsproduct. Bovendien staat in bijlage 3 bij het Huishoudelijk reglement + Regels en richtlijnen van de examencommissie voor het studiejaar 2025-2026 (R&R) dat een verzoek om een extra toetskans alleen in behandeling wordt genomen als er sprake is van ernstige studievertraging. Hieronder wordt volgens haar verstaan een studievertraging binnen het eigen programma van zes maanden of meer. Aangezien [appellant] door de behaalde ‘niet voldaan’ nog geen studievertraging heeft opgelopen, heeft examencommissie geen grond gezien om een extra kans toe te kennen.
Administratief beroep
4. Het CBE heeft op 30 juni 2026 beslist dat de beoordeling van het beroepsproduct van [appellant] zorgvuldig tot stand is gekomen en genoegzaam is onderbouwd. De examinatoren hebben gewerkt volgens een vooraf vastgestelde en voor hem kenbaar beoordelingsformulier, te weten de rubric bij het beroepsproduct. Hij heeft niet voldaan aan de vereisten voor een voldoende beoordeling voor de competentie beslissen, zodat hem geen studiepunten kunnen worden toegekend. Het CBE volgt hem niet in zijn betoog dat de rubric onjuist is toegepast. Dat hij voor één van de deelproducten een goede beoordeling heeft gekregen voor het bronnengebruik en het verwijzen volgens de Leidraad, maakt niet dat hij op grond hiervan ten onrechte een onvoldoende beoordeling voor de competentie beslissen heeft gekregen. Aan het einde van de periode wordt hiervoor immers pas een eindbeoordeling toegekend, waarbij alle ingeleverde deelproducten worden betrokken.
5. Ook heeft het CBE overwogen dat de examencommissie zijn verzoek om een extra kans heeft getoetst aan de Onderwijs- en examenregeling voltijd 2025-2026 (OER) en aan de R&R. In een bijlage bij de R&R zijn nadere regels opgenomen die de examencommissie volgt bij haar besluitvorming over het toekennen van een extra toetsmogelijkheid. Deze regels zijn een uitwerking van de hardheidsclausule uit de OER. Het vereiste van ernstige studievertraging, in de zin van zes maanden of meer, is onderdeel van deze regels, maar hieraan voldoet [appellant] niet. Niettemin heeft de examencommissie, op zijn verzoek, toch zijn persoonlijke omstandigheden beoordeeld en meegewogen. Het CBE volgt haar conclusie dat zij alles afwegende geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn ziekte tot de onvoldoende beoordeling voor de competentie beslissen heeft geleid en (meer specifiek) ook niet waarom hij hierdoor niet in staat is geweest om de verplichte literatuur te gebruiken in de relevante deelproducten. Van een causaal verband is dus niet gebleken. De door hem beschreven chronologie in zijn pleidooi tijdens de hoorzitting maakt dit niet anders. Zijn wens om door te stromen naar de universiteit rechtvaardigt evenmin de toepassing van de hardheidsclausule.
Beroep
6. [appellant] betoogt dat het CBE onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij een onvoldoende beoordeling heeft gekregen voor de competentie beslissen. Uit de beoordeling van het zesde deelproduct, dat in groepsverband is gemaakt, blijkt immers dat hij toen is beoordeeld met een ‘goed’ voor het gebruik van bronnen, aangezien zijn groep relevante bronnen heeft gebruikt en heeft verwezen volgens de Leidraad. Hij beheerst de Leidraad-systematiek daarom volledig en aantoonbaar. De resterende tekortkoming van het niet-gebruiken van de verplichte literatuur in twee van de zeven deelproducten is eerder een incidentele omissie in de bronkeuze dan een structureel onvermogen om te beslissen. Hij had dus een voldoende beoordeling voor deze competentie moeten krijgen, temeer omdat hij de wet- en regelgeving correct toepast en de rubric bij het relevante onderdeel een en/of-bepaling bevat.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geldt voor administratief beroep dat het CBE op grond van artikel 7.61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dient te toetsen of de beslissing waartegen administratief beroep is ingesteld, in strijd is met het recht. Op grond van vaste rechtspraak van het College van het Beroep voor het Hoger Onderwijs, de rechtsvoorganger van de Afdeling in studentenzaken, dient het CBE te onderzoeken of een beslissing in overeenstemming met de geldende regels tot stand is gekomen of anderszins in strijd met het recht is genomen. In dat kader moet het CBE onderzoeken of de examinatoren redelijkerwijs tot hun beoordeling hebben kunnen komen. Het CBE moet daarbij terughoudend toetsen. Het toetst of de beoordeling voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en genoegzaam is onderbouwd. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1296), onder 4.2
6.2. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het beroepsproduct van [appellant] zorgvuldig tot stand is gekomen en genoegzaam is onderbouwd. Het CBE heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat de beoordeling van het beroepsproduct zo is vormgegeven dat het docententeam aan het einde van de periode en aan de hand van de afzonderlijk ingeleverde deelproducten, een geaggregeerd en holistisch oordeel geeft over het al dan niet voldoen aan de voor het beroepsproduct vereiste competenties. Bij de beoordeling van de competentie beslissen heeft het docententeam in dit geval drie deelproducten betrokken. [appellant] heeft bij twee van die deelproducten onvoldoende gebruik gemaakt van de verplichtgestelde literatuur en niet verwezen volgens de Leidraad. Hoewel hij bij het zesde deelproduct op die onderdelen wel met een ‘goed’ is beoordeeld, heeft het docententeam hem voor deze competentie toch een onvoldoende beoordeling toegekend. Het gaat immers om een totaaloordeel en het docententeam heeft, alles afwegende, aan de twee tekortschietende deelproducten een groter gewicht toegekend dan aan het toereikende deelproduct. Daarbij speelde mede een rol dat het zesde deelproduct in groepsverband is gemaakt en [appellant] in de eigen, eerdere toelichting bij de rubric niet heeft laten zien dat hij persoonlijk verantwoordelijk is geweest voor deze goede beoordeling voor het zesde deelproduct, zodat dit de andere twee tekortkomingen niet repareert, aldus het CBE. Dit valt binnen de grenzen van de bevoegdheid die de examinatoren, zijnde het docententeam, toekomt om gemaakt werk te beoordelen.
Hardheidsclausule
7. [appellant] betoogt verder dat het CBE niet heeft onderkend dat de examencommissie niet had kunnen volstaan met het toepassen van haar beleid, maar ook de hardheidsclausule had moeten toepassen. Het had daarom moeten nagaan of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die ontstaat door strikte toepassing van een op zichzelf geldende regel in een uitzonderlijk geval. Zo heeft het CBE niet onderkend dat er wel degelijk een causaal verband bestaat tussen de tekortkomingen in de deelproducten en zijn vermoeidheids- en concentratiekrachten, als gevolg van zijn ziekte en (de opstartfase van) de medische behandeling daarvan. Hij heeft een concrete, met data onderbouwde chronologie aangevoerd waaruit dit blijkt.
7.1. Zoals het CBE op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, heeft het bij zijn beslissing zowel het beleid over de toekenning van een extra toetskans, als artikel 5.2 van de OER, dat de algemene hardheidsclausule bevat, betrokken. Uit het tweede lid, aanhef en onder a, van bijlage 3 bij de R&R volgt dat een verzoek om een extra toetskans kan worden gedaan als sprake is van ernstige, binnen twintig werkdagen aan de studieadviseur en/of decaan gemelde, persoonlijke omstandigheden, zoals genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a tot en met i, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en er door het niet toekennen van een extra toets mogelijkheid een studievertraging ontstaat van zes maanden of meer. Uit artikel 5.2 van de OER volgt dat de examencommissie tegemoet mag komen aan onbillijke gevolgen van zwaarwegende aard, die voor een student ontstaan door toepassing van de OER. Bij het toepassen van deze hardheidsclausule weegt de examencommissie de belangen van de student en de opleiding af.
7.2. De Afdeling onderkent dat de ziekte van [appellant] een ernstig verloop kan hebben en twijfelt niet aan zijn verklaring over de door hem ondergane behandeling. Met het CBE is de Afdeling echter van oordeel dat de examencommissie, alles afwegende, daarin geen aanleiding heeft hoeven vinden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Daarvoor is met name van belang dat [appellant] geen melding heeft gemaakt van zijn persoonlijke omstandigheden bij de studieadviseur of decaan. [appellant] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat gedaan te hebben, maar heeft dat in het geheel niet onderbouwd. Het CBE heeft hierover ter zitting verklaard niets te kunnen terugvinden in de systemen van de onderwijsinstelling. Hierdoor hebben de examencommissie en het CBE niet kunnen beoordelen in hoeverre deze omstandigheden dusdanig ernstig zijn geweest dat deze invloed hebben gehad op zijn studie en meer specifiek op de door hem ingeleverde deelproducten die tekortkomingen bevatten. Hij heeft zijn persoonlijke omstandigheden alleen onderbouwd aan de hand van de door hem afgelegde verklaringen en de door hem beschreven chronologie, die onvoldoende zijn om die beoordeling te kunnen maken. Hoewel de Afdeling begrip heeft voor de wens van [appellant] om zijn studie aan Tilburg University voort te zetten, heeft het CBE terecht overwogen dat de examencommissie zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van onbillijke gevolgen van zwaarwegende aard.
Overige gronden
8. De overige procedurele en inhoudelijke betogen van [appellant] slagen niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de beslissing van de examencommissie niet in strijd met het recht is en in overeenstemming met de geldende regels tot stand is gekomen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
284-1197