Uitspraak 202601619/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4745
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de Examencommissie van de Erasmus School of History, Culture and Communication wegens fraude de door [appellante] voor het vak Media and Business Transformations (CM4101) ingeleverde Individual Papers 1 en 2 van [appellante] ongeldig verklaard, haar uitgesloten van de deelname aan de herkansing van Individual Paper 1 en haar een berisping gegeven. Bij beslissing van 7 april 2026 heeft het het College van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam het door [appellante] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] volgt sinds het studiejaar 2025-2026 de masteropleiding Media & Business aan de Erasmus School of History Culture and Communication. Hiervoor heeft zij het vak Media and Business Transformations (het vak) gevolgd en twee papers ingeleverd, die als deeltoetsen gelden. De examinator van het vak heeft vervolgens aan de examencommissie gemeld dat er naar aanleiding van die deeltoetsen een vermoeden van fraude is gerezen, aangezien de meeste referenties onjuist zijn. [appellante] heeft hierop verklaard dat de onjuistheden in de bronvermelding pas in het laatste stadium van het schrijfproces zijn ontstaan toen zij ChatGPT een bronnenlijst volgens de APA-richtlijnen heeft laten opstellen. Zij is van de juistheid van de bronnenlijst uitgegaan zonder die te controleren. [appellante] betoogt dat het CBE eraan is voorbijgegaan dat het gebruik van AI in de Course guide uitdrukkelijk was toegestaan binnen het vak.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202601619/1/A2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de Examencommissie van de Erasmus School of History, Culture and Communication wegens fraude de door [appellante] voor het vak Media and Business Transformations (CM4101) ingeleverde Individual Papers 1 en 2 van [appellante] ongeldig verklaard, haar uitgesloten van de deelname aan de herkansing van Individual Paper 1 en haar een berisping gegeven.
Bij beslissing van 7 april 2026 heeft het CBE het door [appellante] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandverlener in Enschede, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. G.J. Spaans en J. Lintner, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] volgt sinds het studiejaar 2025-2026 de masteropleiding Media & Business aan de Erasmus School of History Culture and Communication. Hiervoor heeft zij het vak Media and Business Transformations (het vak) gevolgd en twee papers ingeleverd, die als deeltoetsen gelden. De examinator van het vak heeft vervolgens aan de examencommissie gemeld dat er naar aanleiding van die deeltoetsen een vermoeden van fraude is gerezen, aangezien de meeste referenties onjuist zijn. [appellante] heeft hierop verklaard dat de onjuistheden in de bronvermelding pas in het laatste stadium van het schrijfproces zijn ontstaan toen zij ChatGPT een bronnenlijst volgens de APA-richtlijnen heeft laten opstellen. Zij is van de juistheid van de bronnenlijst uitgegaan zonder die te controleren.
Besluitvorming
2. De examencommissie heeft in haar beslissing van 16 december 2025 overwogen dat het gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) slechts beperkt was toegestaan in het vak. Zo was het gebruik van AI voor het opstellen van een bronnenlijst niet toegestaan in het vak. [appellante] heeft gefraudeerd, omdat het door de onregelmatigheden in de bronvermelding en de niet-bestaande bronnen daarin onmogelijk is geworden om het werk van [appellante] te beoordelen, doordat de examinator hierdoor niet kan vaststellen waar dit op is gebaseerd.
3. Het CBE heeft in zijn beslissing van 7 april 2026 overwogen dat uit het fraudeonderzoek blijkt dat beide papers van [appellante] een door AI genereerde, niet-geverifieerde bronnenlijst bevatten. Het volgt de examencommissie in haar standpunt dat dit fraude is, omdat het hierdoor voor de examinator onmogelijk is geworden zich een juist oordeel te vormen over haar kennen en kunnen. De beslissing van de examencommissie is volgens het CBE zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. De examencommissie heeft haar belangen, mede gelet op haar waarborgingstaak op grond van artikel 7.12b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw), zwaarder mogen wegen dan de belangen van [appellante]. De omvang en de ernst van de fraude is niet alleen aanzienlijk, ook heeft [appellante] bij twee (deel)toetsen fraude gepleegd en is de studievertraging beperkt, aangezien zij het vak opnieuw kan volgen in het eerste blok van het studiejaar 2026-2027.
Beroep
Fraude
4. [appellante] betoogt dat het CBE eraan is voorbijgegaan dat het gebruik van AI in de Course guide uitdrukkelijk was toegestaan binnen het vak. Gelet op artikel 4.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Onderwijs -en Examenregeling Masteropleidingen ESHCC 2025-2026 (OER) kan daarom niet meer van fraude worden gesproken. Het doet namelijk afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel om dan op grond van de algemene definitie van fraude in het eerste lid alsnog over te gaan tot vaststelling van fraude. Verder betoogt [appellante] dat het CBE ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zij het, door haar handelen of nalaten, voor de examinator geheel of gedeeltelijk onmogelijk heeft gemaakt om haar kennis, begrip of vaardigheden te beoordelen. Zij heeft namelijk gedurende de gehele procedure inzicht gegeven in de wijze waarop haar werk tot stand is gekomen, waaruit ook volgt dat zij dit inhoudelijk zelf heeft gedaan. De geconstateerde onregelmatigheden beperken zich tot de bronnenlijst en de verwijzingen in de hoofdtekst corresponderen met de nadien aangeleverde en gecorrigeerde bronnenlijst. Haar kennen en kunnen kan op basis van de inhoud van het werk dus nog steeds worden beoordeeld. Fraude is daarom niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
4.1. Ten eerste stelt de Afdeling vast dat uit de digitale leeromgeving van het vak inderdaad volgt dat het gebruik van AI, onder bepaalde voorwaarden (AI-regels), was toegestaan. Dit betekent dat [appellante] niet alleen al heeft gefraudeerd doordat zij AI heeft gebruikt (artikel 4.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de OER). Dit is ook niet het standpunt van het CBE. Volgens de examencommissie en het CBE heeft [appellante] de algemene fraudebepaling overtreden (artikel 4.8, eerste lid, van de OER). Anders dan [appellante] stelt, doet dit geen afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het tweede lid bevat namelijk alleen voorbeelden die zonder meer als fraude worden beschouwd. Dit laat onverlet dat een bepaald gebruik van AI fraude kan opleveren, zelfs al is het gebruik van AI in beginsel en onder voorwaarden toegestaan. Van belang is daarom of het handelen of nalaten van [appellante] meebrengt dat het voor de examinator geheel of gedeeltelijk onmogelijk is geworden haar kennis, begrip of vaardigheden te beoordelen.
4.2. Het CBE heeft op de zitting toegelicht dat de AI-regels bewust zo zijn vormgegeven dat uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met het doel en de strekking van de algemene fraudebepaling. Er is geprobeerd om het gebruik van AI tot op zekere hoogte toe te staan, terwijl tegelijkertijd duidelijk blijft welk deel van het werk van studenten afkomstig en welk deel van AI, zodat de examinator en examencommissie in staat zijn een juist oordeel over hun kennen en kunnen te vormen.
4.3. Niet in geschil is dat [appellante] de AI-regels heeft overtreden. Voor paper I heeft zij immers geen AI-verklaring ingediend, geen bijlage bijgevoegd waarin zij uitlegt waarvoor zij AI heeft gebruikt en welke prompts zij heeft gebruikt, en geen onderscheid gemaakt tussen de onderdelen van het paper die door haarzelf zijn geschreven en die van AI afkomstig zijn. Voor paper II heeft zij wel een AI-verklaring ingediend, maar heeft zij niet aan de andere twee, hierboven genoemde, vereisten voldaan. Dit had zij wel moeten doen, omdat zij de bronnenlijsten bij beide papers door AI heeft laten genereren. Bovendien is zij in de AI-regels gewaarschuwd dat het gebruik van AI fraude oplevert als dit niet (voldoende) kenbaar is gemaakt.
4.4. [appellante] heeft het onjuiste gebruik van AI erkend. Zo heeft zij ook op de zitting bij de Afdeling verklaard dat zij tijdens het schrijven van paper II de verwijzingen in de hoofdtekst niet goed heeft bijgehouden. Vervolgens is zij in tijdnood gekomen en heeft zij ChatGPT gebruikt om een bronnenlijst en aanvullende verwijzingen te genereren op basis van enkele eigen verwijzingen in de hoofdtekst en de context van het paper. In deze zaak gaat het dus niet om het enkel door ChatGPT laten ‘fatsoeneren’ van een door [appellante] eerder zelf opgestelde bronnenlijst. Het CBE heeft zich wat betreft paper II ook daarom op het standpunt mogen stellen dat het daardoor voor de examinator geheel of gedeeltelijk onmogelijk is geworden om zich een juist oordeel over haar kennen en kunnen te vormen.
4.5. De Afdeling is daarom met het CBE van oordeel dat fraude buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Zij merkt hierbij op dat, zoals zowel het CBE als de examencommissie heeft overwogen, de bronnenlijst een volwaardig onderdeel is van het door [appellante] ter beoordeling ingeleverde werk.
Evenredigheid
5. [appellante] betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat de beslissing in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opgelegde sancties leiden ertoe dat zij binnen het huidige collegejaar haar masterdiploma niet meer kan halen. De aangeboden herkansingsmogelijkheid is bovendien betekenisloos, omdat vooraf vaststaat dat zij het vak hiermee niet meer kan halen door de voor het vak geldende regels. Niet is gebleken dat het CBE deze gevolgen in de belangenafweging heeft meegewogen.
5.1. De Afdeling is met het CBE van oordeel dat de opgelegde sanctie niet in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het CBE heeft de belangen van [appellante] uitdrukkelijk meegewogen in zijn beslissing, maar is tot de conclusie gekomen dat die niet zwaarder wegen dan de belangen van de examencommissie, met name vanwege haar waarborgingstaak op grond van artikel 7.12b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Whw. Hierbij heeft het CBE de omvang en ernst van de fraude, de constatering daarvan bij twee deeltoetsen, de beperkte studievertraging en de verantwoordelijkheid van [appellante] als masterstudent betrokken. Op de zitting is bovendien gebleken dat zij alleen nog het vak Media and Business Transformations hoeft af te ronden en dat dit in het eerste blok van het studiejaar plaatsvindt, zodat de studievertraging inderdaad beperkt is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
284-1197