Uitspraak 202601424/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4744
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 25 september 2025 heeft de Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen wegens fraude al het in het kader van het vak Master’s Thesis Marketing Management gemaakte en/of ingeleverde werk van [appellant] ongeldig verklaard, hem uitgesloten van deelname aan dit vak voor de duur van één jaar en hem te kennen gegeven dat hij hierdoor niet langer in aanmerking komt voor het judicium (summa) cum laude. Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft het vak Master’s Thesis Marketing Management gevolgd. Naar aanleiding van de door hem ingeleverde thesis is het vermoeden van fraude ontstaan, aangezien die volgens de examinator een groot aantal niet-bestaande verwijzingen bevat. De examencommissie heeft uiteindelijk geconcludeerd dat [appellant] fraude heeft gepleegd, nadat nadere bestudering van het werk uitwees dat de bronnenlijst, behorend bij de thesis, inderdaad niet-bestaande verwijzingen bevat. De bronnenlijst is onderdeel van de thesis en de verwijzingen worden geacht gebruikt te zijn ter onderbouwing van argumenten in de thesis. Door het presenteren van niet-bestaande bronnen in de bronnenlijst is sprake van handelen waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202601424/1/A2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen (CBE).
Procesverloop
Bij beslissing van 25 september 2025 heeft de Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen wegens fraude al het in het kader van het vak Master’s Thesis Marketing Management gemaakte en/of ingeleverde werk van [appellant] ongeldig verklaard, hem uitgesloten van deelname aan dit vak voor de duur van één jaar en hem te kennen gegeven dat hij hierdoor niet langer in aanmerking komt voor het judicium (summa) cum laude.
Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. den Hertog, advocaat in Utrecht, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. K. Hardenberg en drs. ing. F.P. Bakker, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft het vak Master’s Thesis Marketing Management gevolgd. Naar aanleiding van de door hem ingeleverde thesis is het vermoeden van fraude ontstaan, aangezien die volgens de examinator een groot aantal niet-bestaande verwijzingen bevat.
2. De examencommissie heeft uiteindelijk geconcludeerd dat [appellant] fraude heeft gepleegd, nadat nadere bestudering van het werk uitwees dat de bronnenlijst, behorend bij de thesis, inderdaad niet-bestaande verwijzingen bevat. De bronnenlijst is onderdeel van de thesis en de verwijzingen worden geacht gebruikt te zijn ter onderbouwing van argumenten in de thesis. Door het presenteren van niet-bestaande bronnen in de bronnenlijst is sprake van handelen waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt.
3. Het CBE heeft overwogen dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellant] heeft gefraudeerd in de zin van artikel 6.16, eerste lid, van de Onderwijs- en Examenregeling en artikel 11, tweede lid, van de Regels en Richtlijnen van de Examencommissie. [appellant] heeft immers erkend dat hij bepaalde niet-bestaande bronnen in zijn bronnenlijst heeft opgenomen, terwijl de bronnenlijst, anders dan hij heeft betoogd, deel uitmaakt van de thesis. Bovendien heeft de examencommissie bewezen dat hij ook in de hoofdtekst naar niet-bestaande bronnen heeft verwezen. De ingeleverde versies van 2 en 16 juni 2025 bevatten beide niet-bestaande bronnen. Het gaat dus niet om een fout die op het laatste moment in het thesisproces is ontstaan toen hij met behulp van ChatGPT zijn bronnenlijst netjes wilde maken.
Beoordeling van het beroep
4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte heeft overwogen dat fraude buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. De onjuiste bronnen in de bronnenlijst zijn een gevolg van zijn slordigheid. Hoewel het zijn verantwoordelijkheid is om een juiste bronnenlijst aan te leveren, is hiermee hoogstens sprake van een onregelmatigheid, waarvoor een herstelsanctie kan worden opgelegd. [appellant] heeft enkel een AI-tool ingezet voor het categoriseren van bronnen en heeft hierbij als input zijn bestaande bronnenlijst gegeven. Ook betwist hij dat de hoofdtekst van de thesis verwijzingen naar niet-bestaande bronnen bevat. Dit is niet bewezen, omdat die bronnen legitiem en bestaand zijn.
Hoofdtekst
4.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE ten onrechte overwogen dat de examencommissie heeft bewezen dat [appellant] ook in de hoofdtekst naar niet-bestaande bronnen heeft verwezen. Zoals hij heeft toegelicht, komen de verkorte verwijzingen (bijvoorbeeld Choi et al., 2020) in de hoofdtekst grotendeels - meer specifiek: acht van de elf - overeen met de verwijzingen naar bestaande bronnen in de bronnenlijst bij de eerdere versie van de thesis van 9 april 2025 en de door hem nagestuurde, gecorrigeerde bronnenlijst. Wat de overige drie verwijzingen in de hoofdtekst betreft, die de examencommissie heeft genoemd en die niet overeenkomen met de verwijzingen in deze bronnenlijsten, heeft de Afdeling na een eenvoudige zoekopdracht telkens een wetenschappelijk artikel kunnen vinden van de vermelde auteur, uit het genoemde jaar, en dat betrekking heeft op de voorgaande zinsnede en het onderwerp van de thesis. Daarbij komt dat zijn thesisbegeleider hem één van die gevonden artikelen lijkt te hebben toegestuurd in een e-mail van 6 februari 2025. De Afdeling is daarom van oordeel dat de verkorte verwijzingen in de hoofdtekst niet zozeer als onjuist moeten worden beschouwd, maar dat de kennelijke verhaspeling van zijn eigen bronnenlijst door AI aan de herleidbaarheid daarvan naar de daadwerkelijk bestaande bronnen in de weg heeft gestaan. Het moet ervoor worden gehouden dat [appellant] dit vervolgens grotendeels heeft gerepareerd door de versie van zijn thesis van 9 april 2025 en een gecorrigeerde bronnenlijst over te leggen. Dit had voor het CBE aanleiding moeten zijn om nader te onderzoeken of er inderdaad bestaande bronnen ten grondslag liggen aan de gestelde onjuiste verwijzingen in de hoofdtekst, zoals [appellant] steeds heeft betoogd en waarvoor hij de nodige handvatten heeft geboden. Aangezien inmiddels voldoende is gebleken dat alle verwijzingen in de hoofdtekst te herleiden zijn naar bestaande, relevante bronnen, resteert de vraag of uitsluitend op grond van de onjuiste verwijzingen in de bronnenlijst de conclusie kan worden getrokken dat [appellant] fraude heeft gepleegd.
Fraude
4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is niet iedere onjuiste bronvermelding aan te merken als fraude. Bij het onjuist of onvolledig vermelden van bronnen zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5878, onder 3.2). Ook is van belang of de student een plausibele verklaring heeft gegeven voor het onjuist vermelden van de bronnen. Simpel gezegd moet een onderscheid worden gemaakt tussen fraude en onzorgvuldigheid. In het eerste geval kan dat leiden tot het opleggen van een maatregel door de examencommissie; in het tweede geval kan de examinator aan een geconstateerde onzorgvuldigheid gevolgen verbinden voor het cijfer (zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs, de rechtsvoorganger van de Afdeling in studentzaken, van 5 januari 2015, zaak nr. CBHO 2014/096, onder 2.9).
4.3. Uit het verweerschrift van de examencommissie in administratief beroep volgt dat slechts onderzoek is gedaan naar een beperkt deel van de in de thesis opgenomen verwijzingen. Niettemin stelt zij dat daaruit is gebleken dat de bronnenlijst ten minste elf specifieke, niet-bestaande bronnen bevat. Die lijken echter allemaal onlosmakelijk verbonden met de hierboven behandelde verwijzingen in de hoofdtekst, aangezien de auteurs en jaartallen hiervan overeenkomen met die verwijzingen. Hiervan is hierboven al vastgesteld dat die wel naar bestaande bronnen verwijzen. Dat de correcte verwijzingen in de bronnenlijst bij de versie van de thesis van 9 juni 2025 vervolgens foutief zijn weergegeven in de versies van 2 en16 juni 2025, onderschrijft juist het standpunt van [appellant] dat hij AI heeft gebruikt om zijn eigen bronnenlijst te perfectioneren. Hij heeft daarmee een plausibele uitleg gegeven over hoe de niet-bestaande verwijzingen in deze bronnenlijsten terecht zijn gekomen, maar het CBE en de examencommissie hebben hier onvoldoende mee gedaan. De stelling in het verweerschrift dat de kern van de academische beoordeling is geraakt, omdat [appellant] met verwijzingen naar niet-bestaande bronnen ten onrechte de indruk heeft gewekt dat hij literatuur heeft geraadpleegd, begrepen en verwerkt, kan dus geen standhouden. Zoals het CBE daarin zelf heeft aangevoerd, staat niet elke verschrijving of beperkte administratieve fout in de bronvermelding gelijk aan fraude. In het licht van al deze omstandigheden volgt de Afdeling niet het standpunt van het CBE dat de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding maken dat [appellant] heeft gefraudeerd. Het CBE heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan alleen een onzorgvuldigheid. [appellant] heeft een fout begaan, waarvan hij zelf erkent dat hij die niet had mogen maken. Niettemin is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat hij zodanig heeft gehandeld dat het onmogelijk is een juist oordeel te vormen over zijn kennis, inzicht en vaardigheden.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE van 31 maart 2026. Zij voorziet zelf in de zaak door het administratief beroep tegen de beslissing van de examencommissie van 25 september 2025 gegrond te verklaren en die beslissing te vernietigen. De examencommissie moet daarom de proceskosten in administratief beroep vergoeden. Als gevolg van deze uitspraak moet de thesis van [appellant] alsnog worden beoordeeld, met inachtneming van wat de Afdeling heeft overwogen. Het is aan de examinator of en, zo ja, welke gevolgen hij in dat kader verbindt aan de geconstateerde onzorgvuldigheid.
6. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen van 31 maart 2026, kenmerk Z26002057;
III. verklaart het administratief beroep gegrond;
IV. vernietigt de beslissing van de Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen van 25 september 2025, kenmerk S4940059;
V. veroordeelt de Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI. veroordeelt het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
284-1197