Uitspraak 202505537/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4740
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 september 2023 heeft de burgemeester van Maastricht de woning aan [locatie] in Maastricht per 27 september 2023 voor drie maanden gesloten. [appellant] huurde de woning aan de [locatie] in Maastricht. Op 2 augustus 2023 heeft de politie 62 kilogram heroïne in de schuur bij deze woning aangetroffen. De politie heeft ook een ijzeren pers en verschillende mallen aangetroffen die gebruikt worden voor het persen van blokken heroïne. De burgemeester heeft vervolgens op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet besloten de woning van [appellant] per 27 september 2023 te zullen sluiten voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten. Zij heeft hiertoe overwogen dat er een handelshoeveelheid harddrugs, te weten 62 kilogram heroïne, is aangetroffen in de schuur bij de woning op het adres [locatie] en dat er een zodanige relatie tussen de woning en de schuur bestaat dat die bouwwerken als één geheel moeten worden beschouwd.
- Hoger beroep
- Drugs
Toon inhoud
202505537/1/A3.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Roermond,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 september 2025 in zaak nr. 24/2072 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2023 heeft de burgemeester de woning aan [locatie] in Maastricht per 27 september 2023 voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 september 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:8888) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat in Roermond, en de burgemeester van Maastricht, vertegenwoordigd door mr. R.G.A. Stassen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] huurde de woning aan de [locatie] in Maastricht. Op 2 augustus 2023 heeft de politie 62 kilogram heroïne in de schuur bij deze woning aangetroffen. De politie heeft ook een ijzeren pers en verschillende mallen aangetroffen die gebruikt worden voor het persen van blokken heroïne. De burgemeester heeft vervolgens op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet besloten de woning van [appellant] per 27 september 2023 te zullen sluiten voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten. Zij heeft hiertoe overwogen dat er een handelshoeveelheid harddrugs, te weten 62 kilogram heroïne, is aangetroffen in de schuur bij de woning op het adres [locatie] en dat er een zodanige relatie tussen de woning en de schuur bestaat dat die bouwwerken als één geheel moeten worden beschouwd.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de burgemeester de sluiting noodzakelijk heeft mogen achten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de burgemeester de woning als drugspand heeft kunnen aanmerken, gelet op de handelshoeveelheid harddrugs, de pers en de mallen die zijn aangetroffen. Verder is van belang dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving ligt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen een door de burgemeester overgelegde lijst waaruit blijkt dat in de omgeving van de woning in de afgelopen vijf jaar zeven keer een woning is gesloten in verband met drugshandel.
De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat de besluitvorming van de burgemeester niet onevenredig nadelig is voor [appellant]. De burgemeester heeft voldoende rekening gehouden met de medische situatie van [appellant], er is geen sprake van bijzondere binding met de woning en de burgemeester hoefde niet te informeren naar vervangende huisvesting omdat [appellant] tijdens de woningsluiting gedetineerd was, aldus de rechtbank.
Wettelijk kader
3. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Was de sluiting van de woning noodzakelijk en evenwichtig?
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten. Hij voert aan dat de rechtbank de woning ten onrechte als drugspand heeft gekwalificeerd en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 10.2. Hij voert daarnaast aan dat de burgemeester had kunnen volstaan met een minder ingrijpend middel, omdat een last onder dwangsom herhaling had kunnen voorkomen en hij de woning al bijna 25 jaar zonder problemen heeft gehuurd. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat hij niet wist dat een derde drugs in zijn schuur had gelegd.
5. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de burgemeester bevoegd was om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. In hoger beroep speelt alleen nog de vraag of de sluiting van de woning in dit geval gerechtvaardigd was en meer in het bijzonder of de sluiting in de gegeven omstandigheden noodzakelijk en evenwichtig was.
6. De gronden die [appellant] hierover in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 tot en met 9.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 10.2, uiteengezet welke omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan. Zo is bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van de woning onder meer van belang de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, waarbij de burgemeester onderscheid mag maken tussen softdrugs en harddrugs, of er attributen zijn aangetroffen die op handel duiden en of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. De rechtbank heeft onder meer deze omstandigheden met juistheid betrokken bij haar beoordeling en is gelet op het samenstel van omstandigheden terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester de sluiting noodzakelijk heeft mogen achten en geen aanleiding had hoeven zien om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel.
Slotsom
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
735-1202
BIJLAGE
OPIUMWET
Artikel 13b
1 De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.