Uitspraak 202403616/4/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4739
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2068, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Harderwijk opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" te herstellen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk het woonzorgcentrum Randmeer en de appartementsgebouwen daaromheen in Harderwijk te herontwikkelen. Beoogd is de sloop van 101 wooneenheden en de realisatie van twee appartementsgebouwen met in totaal 156 wooneenheden. Verder wordt het appartementsgebouw aan de zuidwestzijde van het plangebied met 40 wooneenheden gerenoveerd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. De reden hiervoor is dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte ervan is uitgegaan dat 91 van de woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt aanleunwoningen zullen zijn. [appellante] betoogt dat de definitie van het begrip ‘aanleunwoning’ in de planregels rechtsonzeker is. [appellante] betoogt vervolgens dat de raad de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld, omdat de gehanteerde parkeernormen onvoldoende zijn gemotiveerd.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Gelderland
Toon inhoud
202403616/4/R4.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Harderwijk,
appellante,
en
de raad van de gemeente Harderwijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2068, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" te herstellen.
Bij beschikking van 22 september 2025, nr. 202403616/3/R4, heeft de Afdeling de hersteltermijn verlengd tot en met 18 november 2025.
Bij besluit van 16 oktober 2025 (het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" gewijzigd vastgesteld, om daarmee het gebrek te herstellen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellante] en Stichting Habion ieder daarover een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 26 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze procedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Tussenuitspraak en conclusie over het beroep
2. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk het woonzorgcentrum Randmeer en de appartementsgebouwen daaromheen in Harderwijk te herontwikkelen. Beoogd is de sloop van 101 wooneenheden en de realisatie van twee appartementsgebouwen met in totaal 156 wooneenheden. Verder wordt het appartementsgebouw aan de zuidwestzijde van het plangebied met 40 wooneenheden gerenoveerd.
3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. De reden hiervoor is dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte ervan is uitgegaan dat 91 van de woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt aanleunwoningen zullen zijn. Voor aanleunwoningen geldt een lagere parkeernorm dan voor reguliere woningen. Maar in het bestemmingsplan zijn de aanleuningwoningen niet als zodanig opgenomen, zodat die 91 woningen als reguliere woning gebruikt mogen worden. Als dan wordt uitgegaan van de maximale planologische invulling van het bestemmingsplan, waarbij naast 60 zorgwoningen uitsluitend reguliere woningen worden gerealiseerd, is naar het oordeel van de Afdeling niet vast komen te staan dat het plan kan voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
3.1. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 25 april 2024 gegrond. Het besluit moet wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd.
3.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het gebrek in het besluit van 25 april 2024 te herstellen.
Herstelbesluit
4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het herstelbesluit in de eerste plaats een definitie van het begrip ‘aanleunwoning’ opgenomen in artikel 1.5 van de planregels. Een aanleunwoning wordt gedefinieerd als een woning die uitsluitend bedoeld is voor bewoning door één huishouden waarvan tenminste één persoon een geïndiceerde zorgbehoefte heeft waarbij dagelijks of bijna dagelijks een beroep moet worden gedaan op zorg en ondersteuning om in ieder geval te kunnen voorzien in de dagelijkse levensbehoeften. Daarnaast is de omschrijving van de bestemming "Wonen" in artikel 3.1, aanhef en onder a, gewijzigd. Op grond van de gewijzigde planregel zijn de voor "Wonen" bestemde gronden bestemd voor onder meer woningen, waarbij minimaal 60 woningen als zorgwoning en minimaal 91 woningen als aanleunwoning in gebruik moeten zijn. Verder is paragraaf 8.3 aan de plantoelichting toegevoegd, waarin deze wijzigingen en de gevolgen daarvan voor het parkeren zijn toegelicht.
Volgens de raad is met de aanpassingen van de planregels voldoende komen vast te staan dat het bestemmingsplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en daarom niet leidt tot onaanvaardbare parkeerhinder.
4.1. Met het herstelbesluit heeft het college het besluit van 25 april 2024 vervangen. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Beroepsgronden tegen het herstelbesluit
5. [appellante] betoogt dat de definitie van het begrip ‘aanleunwoning’ in de planregels rechtsonzeker is. Zij voert daartoe aan dat niet kan worden vastgesteld wat een aanleunwoning als bedoeld in artikel 1.5 van de planregels is, omdat de omschrijving vage criteria bevat als "geïndiceerde zorgbehoefte", "zorg" en "ondersteuning". Deze omschrijving is volgens haar ook rechtsonzeker, omdat die afwijkt van de definitie van aanleunwoning in het normaal taalgebruik. Dat leidt er volgens [appellante] toe dat de woningen in de praktijk niet als aanleunwoningen als bedoeld in de planregels zullen worden gebruikt, terwijl handhaving door de rechtsonzekere definitie niet goed mogelijk is.
5.1. Dat het begrip ‘aanleunwoning’ volgens [appellante] niet aansluit bij het normaal taalgebruik, betekent niet dat het begrip rechtsonzeker is. Bij de beoordeling van het bestemmingsplan moet immers worden uitgegaan van de begripsomschrijving in het bestemmingsplan. De Afdeling acht de definitie op zichzelf ook voldoende rechtszeker. De criteria in die definitie zijn, ook in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk.
Voor zover [appellante] stelt dat woningen in de praktijk niet als aanleunwoningen als bedoeld in artikel 1.5 van de planregels zullen worden gebruikt, is dat een kwestie van handhaving en die is in deze procedure niet aan de orde.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellante] betoogt vervolgens dat de raad de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld, omdat de gehanteerde parkeernormen onvoldoende zijn gemotiveerd. Zij verwijst daarbij naar het rapport van Hiemstraat advies "Second opinion verkeer en parkeren bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer Harderwijk" van 27 december 2024. Zij voert aan dat de raad niet met feiten of onderzoek heeft onderbouwd dat hij voor aanleunwoningen de norm van 0,8 parkeerplaats per woning mag hanteren, terwijl de brandbreedte die CROW-publicatie 381 hanteert, 0,8 tot 1,3 is. Verder voert zij aan dat de raad ten onrechte voor alle reguliere woningen een norm van 1,2 parkeerplaats per woning heeft gehanteerd, terwijl dit woningen zijn met verschillende oppervlaktes en het plan ook woningen mogelijk maakt die groter zijn dan 70 m2. Hiervoor schrijft de Parkeernormennota Harderwijk 2013 een norm van 1,8 parkeerplaats per woning voor. Dit leidt volgens [appellante] tot een parkeertekort in het plangebied. De raad heeft volgens haar niet aangetoond dat dat tekort kan worden opgevangen binnen het plangebied en in de openbare ruimte.
6.1. Artikel 7.1, onder a, van de planregels bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien is aangetoond dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de ‘Parkeernormennota’ van de gemeente Harderwijk of haar rechtsopvolger, aanwezig is of wordt gerealiseerd binnen het plangebied van dit bestemmingsplan.
Artikel 7.1, onder b, ten tweede, bepaalt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde onder sub a indien uit parkeeronderzoek blijkt dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is in het openbaar gebied.
6.2. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd dus pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5459, onder 10.2.
6.3. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling, gelet op de motivering die de raad heeft gegeven, geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. De Afdeling licht dat toe.
6.4. De Parkeernormennota hanteert een norm van 0,9 voor aanleunwoningen. In de nota staat dat het mogelijk is om op grond van CROW-kencijfers beargumenteerd af te wijken van de normen in die nota. De parkeerkencijfers van het CROW kennen een bandbreedte van 0,8 tot 1,3, waardoor de mogelijkheid bestaat om maatwerk te leveren. De raad heeft voor de parkeernorm voor de aanleunwoningen de onderzijde van 0,8 van de bandbreedte aangehouden. In paragraaf 8.3 van de plantoelichting heeft de raad daarover gesteld dat aanleunwoningen zijn bestemd voor huishoudens waarvan tenminste één persoon dagelijks of bijna dagelijks een beroep moet doen op zorg en ondersteuning. Deze mate van zorg heeft in de praktijk tot gevolg dat bewoners van een aanleunwoning minder gebruik maken van eigen gemotoriseerd vervoer en sprake is van minder autobezit per huishouden. Er wordt in dat geval meer gebruik gemaakt van andere vormen van vervoer.
De Afdeling ziet in het betoog van [appellante] geen aanknopingspunten dat de raad van een te lage parkeernorm voor de aanleunwoningen is uitgegaan, ook al is de onderzijde van de bandbreedte aangehouden.
6.5. De vraag is vervolgens of de raad heeft mogen uitgaan van een parkeernorm van 1,2 voor de 45 huurappartementen. Dit aantal van 45 resteert nadat van het totaal aantal woningen van 196 zijn afgetrokken de 60 zorgwoningen en de 91 aanleunwoningen, waarvoor de raad specifieke normen hanteert. De raad heeft daarover toegelicht dat 62 huurappartementen zijn beoogd met een oppervlakte van maximaal 66 m2. Daarvoor geldt de parkeernorm van 1,2. Ook is toegelicht dat 16 huurappartementen in de vrije sector met een oppervlakte groter dan 66 m2 zijn beoogd. Daarvoor geldt een parkeernorm van 1,8. Die laatste parkeernormen gelden voor zover de huurappartementen niet worden gebruikt als zorg- of aanleunwoning. De raad heeft ook op de zitting niet duidelijk kunnen maken hoe precies met de parkeernormen voor deze laatste appartementen rekening is gehouden bij de berekening van de parkeerbehoefte.
[appellante] heeft haar betoog dus terecht naar voren gebracht, maar dit leidt niet tot vernietiging van het herstelbesluit. Ook indien wordt uitgegaan van de parkeernorm van 1,8 voor de 16 vrije-sectorhuurappartementen, leidt dit op voorhand niet tot de conclusie dat het plangebied in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet. Het gehele plangebied heeft namelijk de bestemming "Wonen". Gelet op artikel 3.1 van de planregels biedt het gehele plangebied ruimte voor bij de woningen behorende parkeervoorzieningen. Voor zover dat toch niet het geval zou zijn, heeft de raad voldoende toegelicht dat buiten het plangebied, onder meer op het parkeerterrein P19 Westeinde, parkeerplaatsen beschikbaar zijn om een eventueel resterend tekort op te vangen. Maar of daadwerkelijk in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien, zal moeten worden beoordeeld bij de verlening van de omgevingsvergunning om te bouwen.
Het betoog slaagt niet.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep van [appellante] tegen het herstelbesluit ongegrond.
Proceskosten
8. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Harderwijk van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadsweiden - Randmeer" ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Harderwijk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,21;
V. gelast dat de raad van de gemeente Harderwijk aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026