Uitspraak 202505732/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4734
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de examencommissie een bindend negatief studieadvies aan [appellante] gegeven. Tegen deze beslissing heeft [appellante] administratief beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzitter van het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [appellante] bevond zich tijdens het studiejaar 2024-2025 in haar eerste studiejaar van de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. De examencommissie heeft aan haar bij de beslissing van 15 augustus 2025 een negatief bindend studieadvies gegeven. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellante] niet de vereiste 60 studiepunten heeft gehaald. Naar aanleiding van het door [appellante] ingestelde administratief beroep heeft de examencommissie met haar een schikkingsgesprek gevoerd. In het schikkingsvoorstel van de examencommissie van 29 september 2025 staat dat de door [appellante] voor het eerst in administratief beroep overgelegde informatie ertoe heeft geleid dat de examencommissie een andere afweging heeft gemaakt. Hoewel zij de beslissing van 15 augustus 2025 als zorgvuldig genomen beschouwt, heeft zij besloten om het bindend studieadvies aan te houden. [appellante] heeft het CBE verzocht de examencommissie te veroordelen in de proceskosten van de voorlopige voorzieningsprocedure.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202505732/1/A2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de examencommissie een bindend negatief studieadvies aan [appellante] gegeven.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] administratief beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij beslissing van 11 september 2025 heeft de examencommissie aangegeven dat zij tegemoetkomt aan het verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij beslissing van 13 november 2025 heeft het CBE een door [appellante] gedaan verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.M. Bertens, advocaat in Utrecht, en mr. M. Sparidis-Hans, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding en besluitvorming
1. [appellante] bevond zich tijdens het studiejaar 2024-2025 in haar eerste studiejaar van de bacheloropleiding Pedagogische Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. De examencommissie heeft aan haar bij de beslissing van 15 augustus 2025 een negatief bindend studieadvies gegeven. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellante] niet de vereiste 60 studiepunten heeft gehaald. [appellante] heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij het CBE en de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzitter van het CBE heeft de examencommissie verzocht te reageren op het verzoek van [appellante] om een voorlopige voorziening. In de beslissing van 11 september 2025 heeft de examencommissie te kennen gegeven tegemoet te komen aan het verzoek van [appellante]. Dit betekent dat zij mag deelnemen aan het onderwijs totdat het CBE op het administratief beroep heeft beslist. De examencommissie heeft zich in de beslissing van 11 september 2025 niet uitgesproken over het verzoek van [appellante] om vergoeding van de proceskosten. Omdat de examencommissie al was tegemoetgekomen aan het verzoek, heeft de voorzitter niet meer beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening.
3. Naar aanleiding van het door [appellante] ingestelde administratief beroep heeft de examencommissie met haar een schikkingsgesprek gevoerd. In het schikkingsvoorstel van de examencommissie van 29 september 2025 staat dat de door [appellante] voor het eerst in administratief beroep overgelegde informatie ertoe heeft geleid dat de examencommissie een andere afweging heeft gemaakt. Hoewel zij de beslissing van 15 augustus 2025 als zorgvuldig genomen beschouwt, heeft zij besloten om het bindend studieadvies aan te houden. Omdat van een onrechtmatige beslissing geen sprake is, is de examencommissie van mening dat er geen reden is voor een proceskostenvergoeding in administratief beroep. Zij verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1328. De examencommissie vergoedt, naar de Afdeling begrijpt uit coulance, de kosten voor het indienen van het administratief beroepschrift wel. De examencommissie heeft de hoogte van deze vergoeding bepaald aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De examencommissie heeft het schikkingsvoorstel gedaan onder de voorwaarde dat [appellante] haar administratief beroep intrekt. [appellante] heeft vervolgens haar administratief beroep ingetrokken.
4. [appellante] heeft het CBE verzocht de examencommissie te veroordelen in de proceskosten van de voorlopige voorzieningsprocedure. Het CBE heeft aan de afwijzing van dit verzoek, bij beslissing van 13 november 2025, ten grondslag gelegd dat de Afdeling in de door [appellante] aangehaalde uitspraak van 1 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3619, heeft overwogen dat een redelijke uitleg van het Bpb meebrengt dat voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening één procespunt kan worden toegekend. Het CBE heeft evenwel beslissingsruimte in het toekennen van het verzoek tot proceskostenvergoeding. [appellante] is door de vergoeding van proceskosten door de examencommissie voldoende gecompenseerd voor de door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Het CBE heeft daarbij opgemerkt dat het toekennen van proceskostenvergoeding bij een uit coulance verleende voorlopige voorziening ertoe zou kunnen leiden dat de voorzitter van het CBE een voorlopige voorziening in het vervolg, uit vrees voor de financiële gevolgen, terughoudender zal beoordelen. Dat zou afbreuk doen aan de rechtsbescherming van studenten.
Beroep
5. [appellante] betoogt dat de beslissing van 13 november 2025 onbevoegd is genomen. Zij voert daartoe aan dat niet het CBE, maar de voorzitter van het CBE bevoegd is te beslissen op een verzoek om een voorlopige voorziening en daarom ook op een verzoek om vergoeding van proceskosten in de voorlopige voorzieningsprocedure.
5.1. Ingevolge artikel 7.61, zesde lid, van de Whw is de voorzitter van het CBE en niet de examencommissie bevoegd te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. De beslissing van de examencommissie van 11 september 2025 strekt ertoe toe te staan wat [appellante] heeft verzocht, namelijk dat zij mag deelnemen aan het onderwijs totdat het CBE op het administratief beroep heeft beslist. Onder deze omstandigheden heeft de voorzitter terecht geen aanleiding gezien te beslissen op het verzoek van [appellante] om een voorlopige voorziening. Bij een beslissing van de voorzitter van het CBE bestaat immers geen belang als het bestuursorgaan volledig is tegemoetgekomen aan het verzoek.
5.2. Voor wat betreft de proceskosten overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 12 augustus 2026 in zaak nr. 202505044/1/A2, ECLI:NL:RVS:2026:4628, dat het CBE en niet de voorzitter van het CBE bevoegd is te beslissen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de voorlopige voorzieningsprocedure.
6. [appellante] betoogt verder dat het CBE haar verzoek om vergoeding van proceskosten in de voorlopige voorzieningsprocedure ten onrechte heeft afgewezen.
6.1. Nu de examencommissie in het kader van een schikking tot een andere beslissing is gekomen op grond van informatie waarover zij niet beschikte ten tijde van de beslissing naar aanleiding waarvan de voorlopige voorziening is verzocht, hoeft het CBE de kosten voor de voorlopige voorzieningsprocedure niet te vergoeden.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
284-1175