Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601922/2/R4

Uitspraak 202601922/2/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4644
Datum uitspraak
10 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [verzoeker A] en [verzoeker B] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. [verzoekers] wonen aan de [locatie 1] in Hengelo. Op het perceel is het bestemmingsplan "Landelijk gebied Bronckhorst" (het bestemmingsplan) van toepassing. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] wonen op het aangrenzende perceel aan de [locatie 2] in Hengelo en hebben een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft aan [verzoekers] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 9 juli 2024 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2023 gedeeltelijk gewijzigd en de lasten voor een aantal van de overtredingen ingetrokken, en dat besluit voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft in een uitspraak van 4 maart 2025 het door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2024 vernietigd met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat [verzoekers] de tweede uitweg dienen te verwijderen en verwijderd dienen te houden en het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
  • Voorlopige voorziening
  • Dwangsom en beroep

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601922/2/R4.
Datum uitspraak: 10 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Hengelo (Gelderland), gemeente Bronckhorst,
verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 juni 2026 in zaak nr. 25/4657 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college aan [verzoekers] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 9 juli 2024 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2023 gedeeltelijk gewijzigd en de lasten voor een aantal van de overtredingen ingetrokken, en dat besluit voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 4 maart 2025 heeft de rechtbank Gelderland het door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2024 vernietigd met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat [verzoekers] de tweede uitweg dienen te verwijderen en verwijderd dienden te houden, bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak en het besluit van 6 september 2023 geschorst tot zes weken na het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.

Bij besluit van 2 september 2025 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van [verzoekers] tegen het besluit van 6 september 2023 beslist. Daarbij heeft het college aan [verzoekers] vier nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 september 2025 vernietigd voor zover dat ziet op de last onder dwangsom vanwege het gebruik van de parkeerplaatsen en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.

Tevens hebben [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [belanghebbende A] en [belanghebbende B] en [verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. D. Pool, en het college, vertegenwoordigd door M. Klein Gebbink, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

3.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór 1 januari 2024 en het bestuursorgaan naar aanleiding van dit verzoek na dit tijdstip een last onder dwangsom heeft opgelegd, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing totdat dit besluit onherroepelijk wordt.

Naar aanleiding van een handhavingsverzoek dat vóór 1 januari 2024 is ingediend heeft het college bij besluit van 2 september 2025 aan [verzoekers] lasten onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

4.       [verzoekers] wonen aan de [locatie 1] in Hengelo (het perceel). Op het perceel is het bestemmingsplan "Landelijk gebied Bronckhorst" (het bestemmingsplan) van toepassing. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] wonen op het aangrenzende perceel aan de [locatie 2] in Hengelo en hebben een handhavingsverzoek ingediend.

Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college aan [verzoekers] meerdere lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 9 juli 2024 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2023 gedeeltelijk gewijzigd en de lasten voor een aantal van de overtredingen ingetrokken, en dat besluit voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft in een uitspraak van 4 maart 2025 het door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2024 vernietigd met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat [verzoekers] de tweede uitweg dienen te verwijderen en verwijderd dienen te houden en het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5.       Het college heeft uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank door op 2 september 2025 een nieuw besluit op bezwaar te nemen en heeft daarbij nieuwe lasten onder dwangsom aan [verzoekers] opgelegd. Volgens het college is de totale oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken op het perceel 355,98 m² en is een te groot oppervlak aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. De bouwwerken zijn volgens het college niet van de vergunningplicht uitgezonderd op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder f, onder 3º, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), omdat het aantal vierkante meters dat is gerealiseerd het op grond van die bepaling maximaal toegestane aantal vierkante meters overschrijdt. Op grond van die bepaling is er volgens het college maximaal 150 m² op het perceel toegestaan. Er is volgens het college ook sprake van strijd met het bestemmingsplan, omdat de oppervlakte van het totaal aan gerealiseerde gebouwen op het perceel meer bedraagt dan de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane 100 m².

Daarnaast is tijdens de controles geconstateerd dat de paardenstal deels op gronden met een agrarische bestemming is gebouwd. Volgens het college is dat gebruik in strijd met de bestemming. Verder is geconstateerd dat in strijd met artikel 23.1.2, aanhef en onder a, onder 7, van de planregels meer dan 40% van de bruto oppervlakte van het kantoor op het perceel wordt gebruikt voor aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten.

Bij het besluit van 2 september 2025 heeft het college aan [verzoekers], voor zover van belang, drie lasten onder dwangsom opgelegd. De eerste last over de bijbehorende bouwwerken strekt ertoe de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. [verzoekers] kunnen de overtreding beëindigen door de bijbehorende bouwwerken op het achtererfgebied behorende bij het perceel te verminderen tot een totaaloppervlakte aan bijbehorende bouwwerken van maximaal 150 m².

De tweede last over de paardenstal strekt ertoe de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden. [verzoekers] kunnen dat doen door de paardenstal te verwijderen of de paardenstal zodanig aan te passen dat alle bebouwing buiten de grens van het achtererfgebied/bestemmingsvlak wordt verwijderd.

De derde last over het gebruik van het kantoor voor bedrijf aan huis strekt ertoe de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden. Dat kunnen [verzoekers] doen door maximaal 41,72 m² van het kantoor te gebruiken ten behoeve van het bedrijf aan huis.

[verzoekers] zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en hebben daarom hoger beroep ingesteld.

Het verzoek

6.       [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 2 september 2025 wordt geschorst tot zes weken nadat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

De eerste last over de bijbehorende bouwwerken en de tweede last over de paardenstal

7.       De gronden die [verzoekers] hebben aangevoerd tegen de eerste en tweede last lenen zich niet goed voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Daarom zal de voorzieningenrechter met een belangenafweging beoordelen of vooruitlopend op de uitspraak in de hoofdzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen ten aanzien van deze eerste en tweede last.

7.1.    Het belang van [verzoekers] is gelegen in het niet hoeven aanpassen of afbreken van bijbehorende bouwwerken op het perceel zolang geen uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. Uitvoering van de lasten is onomkeerbaar, terwijl volgens [verzoekers] onduidelijk is hoeveel vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken moeten worden afgebroken. Daarbij hebben zij gewezen op de grote verschillen tussen de metingen waarop het besluit van 2 september 2025 is gebaseerd en de metingen die ten grondslag lagen aan het eerdere besluit van 6 september 2023.

Daartegenover staan de belangen van het college en [belanghebbende A] en [belanghebbende B]. Het college heeft gewezen op het algemene belang van handhaving. Het door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] naar voren gebrachte belang heeft betrekking op het behoud van de grote historische en landschappelijke waarden van zowel hun landgoed als van het aangrenzende open gebied.

7.2.    Na afweging van deze belangen acht de voorzieningenrechter het belang van [verzoekers] bij het niet hoeven voldoen aan de lasten in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak groter dan het belang van het college en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] bij het wel al voldoen aan die last. Het algemeen belang bij handhaving kan nog steeds worden gediend als na de uitspraak van de Afdeling in de hoofdzaak aan de lasten wordt voldaan. Hoewel de voorzieningenrechter verder begrip heeft voor het belang van [belanghebbende A] en [belanghebbende B], neemt hij bij zijn belangenafweging in aanmerking dat een groot aantal van de bijbehorende bouwwerken al gedurende een lange periode op het perceel staat. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de bijbehorende bouwwerken nu met spoed moeten worden verwijderd.

Dit betekent dat het verzoek, voor zover het de eerste en tweede last betreft, moet worden toegewezen en dat deze lasten worden geschorst.

7.3.    Overigens is het bij de toepassing van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder f, onder 3º, van bijlage II van het Bor, anders dan [verzoekers] veronderstellen, niet van belang of het college toestemmingen heeft gegeven of vergunningen heeft verleend voor bijbehorende bouwwerken. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder f, onder 3º, van bijlage II van het Bor spreekt van de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken. Hieruit volgt dat bij de toepassing van die bepaling rekening moet worden gehouden met zowel vergunde bouwwerken als niet-vergunde bijbehorende bouwwerken.

De derde last over een aan huis verbonden bedrijf

8.       De voorzieningenrechter zal het verzoek, voor zover het de derde last betreft, beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt of de uitspraak van de rechtbank over de derde last in de bodemprocedure in stand zal blijven. Als de voorzieningenrechter in de beroepsgronden van [verzoekers] redenen vindt voor gerede twijfel aan de uitspraak van de rechtbank, dan kan dat aanleiding zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

9.       [verzoekers] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet meer dan de maximale toegestane bruto oppervlakte van het kantoor als bijgebouw wordt gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf. Daartoe voeren zij aan dat het kantoor is gesplist in twee afzonderlijk afgesloten ruimtes door een vaste wand die overgaat in een schuifdeur. Dat is volgens [verzoekers] ook te zien op de bouwtekening die het college heeft goedgekeurd.

9.1.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich onder verwijzing naar artikel 23.1.2, aanhef en onder a, onder 7 van de planregels terecht op het standpunt heeft gesteld dat een bruto oppervlakte van maximaal 41,72 m² van het bijbehorend bouwwerk, in dit geval het kantoor, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in strijd met deze planregel meer dan 41,72 m² wordt gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf. De voorzieningenrechter betrekt daarbij de toelichting van het college over de schuifdeur. Met die deur is het bouwwerk op te delen in twee gedeeltes. De werkplekken bevinden zich in het achterste gedeelte. In het voorste gedeelte bevindt zich het keukenblok. Uit het controlerapport van 23 april 2025 blijkt dat aan de wand in de keuken een whiteboard hing met namen van medewerkers en hun bedrijfsactiviteiten. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat naast het achterste gedeelte, ook het voorste gedeelte van het bouwwerk werd gebruikt voor kantooractiviteiten, zodat de maximale bruto oppervlakte die mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf wordt overschreden. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Overigens heeft de door [verzoekers] overgelegde bouwtekening en de daarover door het college al dan niet gedane toezegging betrekking op de activiteit bouwen en niet op het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter daarom niet dat de uitspraak van de rechtbank op dit punt geen stand zal houden.

10.     [verzoekers] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat het college eerder in de brief van 19 mei 2015 heeft toegelicht dat geen vergunning nodig is voor het kantoor, dat de maximale oppervlakte voor het kantoor (bedrijf aan huis) 50 m² is en dat daarbij het toilet en de doucheruimte die als berging wordt gebruikt niet meegeteld worden.

10.1.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat oplegging van de last niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het college heeft op de zitting erkend dat het eerder heeft toegezegd dat het toilet en de doucheruimte bij de uitvoering van de last niet meegeteld hoeven te worden voor de berekening van het maximum aantal vierkante meters dat mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf. Het college heeft niet erkend dat het heeft toegezegd dat de maximale oppervlakte 50 m² bedraagt. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat ook als het toilet en de doucheruimte/berging niet worden meegerekend, ten tijde van het besluit van 2 september 2025 meer dan 50 m² werd gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het college niet handhavend heeft mogen optreden tegen de hoeveelheid vierkante meters die wordt gebruikt als een aan huis verbonden bedrijf. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de derde last.

Conclusie

11.     Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van 2 september 2025 te schorsen, voor zover het de eerste last over de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en de tweede last over de paardenstal betreft.

12.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        wijst het verzoek af voor zover het de derde last over het gebruik van het kantoor voor een aan huis verbonden bedrijf betreft;

II.       schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 2 september 2025, kenmerk Z2025-3148, voor zover het de eerste last over de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en de tweede last over de paardenstal betreft, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.

w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter

w.g. Hielkema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026

1096

Bijlage

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

3. Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

[…]

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

[…]

3º. In geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m²,

[…]

Planregels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Bronckhorst"

Artikel 23.1.2

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 23.1.1:

a Het gebruik van een woning en/of bijbehorend bouwwerk en bij de woning behorende gronden voor de uitoefening van een aan huis verbonden activiteit wordt geacht overeenkomstig de bestemming te zijn, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

[…]

7. bij een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) worden gebruikt tot een maximum van 50 m²;

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon