Uitspraak BRS.26.003845
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4634
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003845
ECLI:NL:RVS:2026:4634
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 december 2025 en haar einduitspraak van 26 juni 2026 in zaak nr. NL25.25405 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de minister aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om de gebreken in dat besluit te herstellen.
De minister heeft op 6 januari 2026 een aanvullend besluit genomen.
Bij einduitspraak van 26 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 5 juni 2025 en 6 januari 2026 vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026
966