Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504197/1/R2

Uitspraak 202504197/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4729
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende het verwijderen en verwijderd houden van een stacaravan en de opslag van hout in kratten op het perceel aan de [locatie 1] in Rijsbergen. Aan de [locatie 1] in Rijsbergen is een perceel gelegen dat wordt bewoond door [wederpartij]. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieplan bestemmingsplan Buitengebied Zundert" rust op het perceel de bestemming "Bos". [appellant] is bewoner van het perceel aan de [locatie 2] in Rijsbergen. Hij heeft een handhavingsverzoek gedaan vanwege de volgens hem met het bestemmingsplan strijdige aanwezigheid van een caravan en opslag van hout op het perceel [locatie 1]. Het college heeft op 2 november 2022 geconstateerd dat er een caravan stond op het perceel en dat vrijgekomen hout van de kap van bomen op het perceel werd opgeslagen in kratten en te koop werd aangeboden aan particulieren. Daarom heeft het college [wederpartij] op 17 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanwezig zijn van de caravan en het opslaan van hout in kratten op het perceel.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504197/1/R2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Rijsbergen, gemeente Zundert,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 12 juni 2025 in zaken nrs. 24/3051, 24/4930 en 24/3068 in het geding tussen:

1.       [wederpartij]

2.       [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende het verwijderen en verwijderd houden van een stacaravan en de opslag van hout in kratten op het perceel aan de [locatie 1] in Rijsbergen (het perceel).

Bij besluit van 4 september 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [wederpartij] voor de activiteit "bouwen" voor het tijdelijk plaatsen van stapelbakken ten behoeve van de opslag van kaphout op het perceel.

Bij besluit van 5 februari 2024 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 17 januari 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 februari 2024 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 17 januari 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, en tevens de last onder dwangsom ingetrokken.

Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 4 september 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 12 juni 2025 heeft de rechtbank de door [wederpartij] en [appellant] ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 27 mei 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.A.J. Braspenning-Hereijgers, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Aan de [locatie 1] in Rijsbergen is een perceel gelegen dat wordt bewoond door [wederpartij]. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieplan bestemmingsplan Buitengebied Zundert" rust op het perceel de bestemming "Bos". [appellant] is bewoner van het perceel aan de [locatie 2] in Rijsbergen. Hij heeft een handhavingsverzoek gedaan vanwege de volgens hem met het bestemmingsplan strijdige aanwezigheid van een caravan en opslag van hout op het perceel [locatie 1].

2.1.    Het college heeft op 2 november 2022 geconstateerd dat er een caravan stond op het perceel en dat vrijgekomen hout van de kap van bomen op het perceel werd opgeslagen in kratten en te koop werd aangeboden aan particulieren. Daarom heeft het college [wederpartij] op 17 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanwezig zijn van de caravan en het opslaan van hout in kratten op het perceel.

2.2.    Tijdens de bezwaarprocedure tegen dit besluit is aan [wederpartij] een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van stapelbakken ten behoeve van de opslag van kaphout op het perceel. Bij een controle op 9 juni 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat de stacaravan was verwijderd van het perceel. Bij een controle op 22 januari 2024 hebben toezichthouders geconstateerd dat de houtopslag in overeenstemming was met de verleende omgevingsvergunning. Daarom heeft het college op 6 februari 2024 de last onder dwangsom ingetrokken.

[appellant] is het niet eens met de intrekking van de last en de verleende omgevingsvergunning.

De uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om de last onder dwangsom in te trekken en dat op goede gronden heeft gedaan. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat [wederpartij] de stacaravan van het perceel heeft verwijderd en het college op 4 september 2023 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het plaatsen van stapelbakken voor de opslag van kaphout op het perceel. Daarmee is de illegale situatie beëindigd. Daarbij heeft de rechtbank mede verwezen naar haar oordeel over de omgevingsvergunning. De rechtbank overweegt ook dat het college niet vreest voor een nieuwe overtreding en dat er geen aanknopingspunten zijn om daar anders over te oordelen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op goede gronden alleen een tijdelijke omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" heeft verleend. Volgens de rechtbank is er geen omgevingsvergunning voor de activiteit "gebruik in strijd met het bestemmingsplan" vereist. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beperkte opslag van gezaagd hout op het perceel, afkomstig van datzelfde perceel, niet in strijd is met de bestemming "Bos". Omdat zo’n tijdelijke opslag inherent is aan het toegestane gebruik als houtproductiebos, kan de houtopslag als een "bijbehorende voorziening" worden aangemerkt. Volgens de rechtbank is het opslaan van hout ook niet in strijd met artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels, dat onder meer de opslag van "materialen" en "producten" verbiedt. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet gedoeld op gezaagd hout dat afkomstig is van het perceel.

Het hoger beroep van [appellant]

Intrekking hogerberoepsgrond

4.       Op de zitting heeft [appellant] de hogerberoepsgrond ingetrokken die gaat over de intrekking van de last onder dwangsom inhoudende het verwijderen en verwijderd houden van een stacaravan op het perceel.

De omgevingsvergunning

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen omgevingsvergunning hoefde te worden verleend voor de activiteit "gebruik in strijd met het bestemmingsplan". Hij voert hiertoe aan dat de opslag van hout in stapelbakken in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Bos".

De rechtbank onderkent volgens hem ten onrechte niet dat de opslag van hout in strijd is met het gebruiksverbod van artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels. Deze bepaling moet volgens hem letterlijk worden uitgelegd, omdat de begrippen "materialen" en "producten" duidelijk zijn. De rechtbank stelt volgens hem dan ook ten onrechte dat daarmee niet wordt gedoeld op gezaagd hout dat afkomstig is van het perceel. Deze uitleg zou bovendien betekenen dat het verbod en de begrippen "materialen" en "producten", die in meerdere planregels voorkomen, daarin steeds een andere betekenis kunnen hebben, wat volgens hem in strijd is met de rechtszekerheid.

Ook voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de tijdelijke opslag van gekapt hout inherent is aan het toegestane gebruik van het perceel als houtproductiebos. Dit kan volgens hem niet afdoen aan het gebruiksverbod van artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels. Bovendien kan gekapt hout direct worden afgevoerd en hoeft dus niet tijdelijk te worden opgeslagen. Daarbij is het opgeslagen hout volgens [appellant] overigens ook afkomstig van andere percelen, waardoor de houtopslag ook niet als "bijbehorende voorziening" van het houtproductiebos kan worden aangemerkt.

5.1.    De gronden die [appellant] in zoverre in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 42 tot en met 45 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog het volgende toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet vanwege de rechtszekerheid een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met de andere planregels, dan komt betekenis toe aan andere vormen van uitleg (vergelijk onder andere de uitspraak van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:735). Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, valt de tijdelijke opslag van gezaagd hout, afkomstig van datzelfde perceel, onder het in artikel 10.1 van de planregels voor gronden met de bestemming "Bos" toegestane gebruik voor houtproductie met bijbehorende voorzieningen. Anderzijds valt de tijdelijke opslag van gezaagd hout ogenschijnlijk onder het in artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels verboden gebruik van gronden voor opslag van materialen en producten. Gelet op deze spanning moeten deze planregels in onderlinge samenhang worden uitgelegd. Daarbij heeft de rechtbank zich, in de context van de bestemming "Bos", terecht op het standpunt gesteld dat de tijdelijke opslag van gezaagd hout dat afkomstig is van het perceel niet onder het gebruiksverbod van artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels valt. [appellant] heeft verder niet onderbouwd waarom dit, vanwege de omstandigheid dat deze begrippen in meerdere planregels voorkomen, tot strijd met de rechtszekerheid zou leiden.

Het betoog slaagt niet.

De intrekking van de last onder dwangsom voor de houtopslag

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de last onder dwangsom mocht worden ingetrokken. Daartoe voert hij aan dat de opslag van hout weliswaar tijdens de controle op 22 januari 2024 in overeenstemming was met de verleende omgevingsvergunning, maar dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zich herhaling van de overtreding kan voordoen. Daar komt bij dat de rechtbank volgens hem ten onrechte heeft overwogen dat de opslag is gelegaliseerd met de omgevingsvergunning van 4 september 2023 voor de activiteit "bouwen", omdat volgens hem de opslag ook strijdig is met het bestemmingsplan. Bovendien is opslag van hout in stapelbakken van twee meter hoog vergund, terwijl de last onder dwangsom was opgelegd voor de opslag van hout in kratten van meer dan twee meter hoog.

6.1.    De gronden die [appellant] in zoverre in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich, mede gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen onder 5.1, vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 40 en 41 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de enkele stelling van [appellant] in hoger beroep dat herhaling van de overtreding zich zou kunnen voordoen, geen grond geeft om te oordelen dat de rechtbank aanleiding had moeten zien om te oordelen dat voor herhaling van de overtreding moet worden gevreesd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, wordt bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kuipers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026

271-1191


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon