Uitspraak 202503707/7/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4627
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer [verzoeker sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om bouwwerken en voorzieningen op het perceel [locatie] in Abbenes te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik op dat perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Een toezichthouder van het college heeft op 2 april 2026 een controle uitgevoerd bij het pand aan de [locatie] in Abbenes. Op grond van deze rapportage heeft het college met het besluit van 19 mei 2026 twee dwangsommen van € 20.000,00, in totaal € 40.000,00, bij [verzoeker sub 1] ingevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [verzoeker sub 1] niet tijdig heeft voldaan aan de last die is opgelegd bij het besluit van 13 juni 2024. [verzoeker sub 1] betoogt dat het college ten onrechte aan het invorderingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de last, voor zover deze ziet op het ongeschikt maken van het bedrijfspand op de begane grond voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank heeft volgens hem namelijk in de uitspraak van 17 juni 2025 overwogen dat de bouw- en gebruiksbepalingen in het bestemmingsplan niet verbieden dat de begane grond als bedrijfswoning wordt ingericht. Dit betekent dat het besluit in zoverre is vernietigd, aldus [verzoeker sub 1].
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202503707/7/R1
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
1. [verzoeker sub 1], wonend in [woonplaats] (Spanje),
2. het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2025 in zaken nrs. 25/576 en 25/578 in het geding tussen:
[verzoeker sub 1]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college [verzoeker sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om bouwwerken en voorzieningen op het perceel [locatie] in Abbenes te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik op dat perceel te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 16 december 2024 heeft het college het door [verzoeker sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 13 juni 2024, onder wijziging van de grondslag en aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Bij uitspraak van 17 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (de rechtbank) het door [verzoeker sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2024 gedeeltelijk vernietigd en zelf in de zaak voorzien door een deel van de in het besluit vermelde herstelmogelijkheden te wijzigen.
Tegen deze uitspraak heeft onder meer [verzoeker sub 1] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker sub 1] heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4273, gedeeltelijk toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de besluiten van 13 juni 2024 en 16 december 2024 gedeeltelijk geschorst en de begunstigingstermijn die verbonden is aan deze besluiten verlengd tot drie maanden na verzending van de uitspraak.
Vervolgens heeft [verzoeker sub 1] de voorzieningenrechter verzocht om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 17 november 2025 afgewezen.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 februari 2026. Het college heeft bij besluit van 29 januari 2026 de begunstigingstermijn verlengd tot 1 maart 2026. Daarna heeft het college, bij besluit van 26 februari 2026, de begunstigingstermijn verlengd tot 1 april 2026.
[verzoeker sub 1] heeft daarna de voorzieningenrechter twee keer verzocht om de getroffen voorlopige voorziening te wijzen. Bij uitspraak van 25 maart 2026 en uitspraak van 31 maart 2026 zijn deze verzoeken afgewezen.
Bij besluit van 19 mei 2026 heeft het college twee dwangsommen van in totaal € 40.000,00 bij [verzoeker sub 1] ingevorderd.
[verzoeker sub 1] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 19 mei 2026. Ook heeft [verzoeker sub 1] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter het besluit van 19 mei 2026 te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 23 juli 2026, waar [verzoeker sub 1] en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Baarse, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
2.1. De voorzieningenrechter wijst voor de achtergrond van de zaak naar de uitspraak van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4273, en voegt daaraan het volgende toe.
2.2. Een toezichthouder van het college heeft op 2 april 2026 een controle uitgevoerd bij het pand aan de [locatie] in Abbenes. De bevindingen van deze controle staan in de rapportage van 2 april 2026. Op grond van deze rapportage heeft het college met het besluit van 19 mei 2026 twee dwangsommen van € 20.000,00, in totaal € 40.000,00, bij [verzoeker sub 1] ingevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [verzoeker sub 1] niet tijdig heeft voldaan aan de last die is opgelegd bij het besluit van 13 juni 2024. Het college heeft [verzoeker sub 1] bij het besluit van 13 juni 2024, welk besluit bij het besluit op bezwaar van 16 december 2024 onder wijziging van de grondslag en aanpassing van de motivering in stand is gelaten, onder andere gelast de bewoning in het gebouw te beëindigen en beëindigd te houden, voor zover het niet om bewoning van de bedrijfswoning gaat, en de begane grond van het bedrijfspand ongeschikt te maken voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden.
Het hoger beroep van [verzoeker sub 1] tegen de uitspraak van 17 juni 2025 heeft van rechtswege ook betrekking op het invorderingsbesluit van 19 mei 2026. [verzoeker sub 1] is het niet eens met het besluit van 19 mei 2026 en heeft hiertegen gronden aangevoerd. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 19 mei 2026 wordt geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Beoordeling verzoek
3. In wat [verzoeker sub 1] heeft aangevoerd, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het besluit van 19 mei 2026 niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
4. [verzoeker sub 1] betoogt dat het college ten onrechte aan het invorderingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de last, voor zover deze ziet op het ongeschikt maken van het bedrijfspand op de begane grond voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank heeft volgens hem namelijk in de uitspraak van 17 juni 2025 overwogen dat de bouw- en gebruiksbepalingen in het bestemmingsplan niet verbieden dat de begane grond als bedrijfswoning wordt ingericht. Dit betekent dat het besluit in zoverre is vernietigd, aldus [verzoeker sub 1].
4.1. De voorzieningenrechter gaat bij dit verzoek om schorsing van het invorderingsbesluit van 19 mei 2026 uit van de deugdelijkheid van de last onder dwangsom die aan [verzoeker sub 1] is opgelegd bij besluit van 13 juni 2024 en het besluit van 16 december 2024, zoals dat is gewijzigd bij uitspraak van 17 juni 2025 en zoals dat vervolgens gedeeltelijk is geschorst door de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 4 september 2025.
In het kader van dit verzoek om een voorlopige voorziening is van belang dat de last zoals die is neergelegd in het besluit van 13 juni 2024 op 2 april 2026 van kracht was voor wat betreft het beëindigen en beëindigd houden van de bewoning van het gebouw, voor zover het niet om bewoning van de bedrijfswoning gaat. Ook was het besluit op 2 april 2026 van kracht voor zover dat ziet op de last om de begane grond van het bedrijfspand ongeschikt te maken voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden.
Het betoog van [verzoeker sub 1] dat uit de uitspraak van de rechtbank van 17 juni 2025 moet worden opgemaakt dat het besluit is vernietigd voor zover dat ziet op de last inhoudende het ongeschikt maken van het bedrijfspand op de begane grond voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden, slaagt niet. In het dictum van de uitspraak staat niet dat de rechtbank het besluit in zoverre heeft vernietigd.
4.2. In de rapportage van 2 april 2026 staat dat alle kamers nog bewoond zijn. Eén van de bewoners heeft een verklaring afgelegd. Deze bewoner verklaarde dat alle kamers bezet waren. Er wonen volgens hem ongeveer vijftien personen in het pand. Tijdens de controle sliepen de meeste mensen. De contactpersoon van deze bewoner heeft verklaard dat het pand vol zat en bewoond was. De rapportage bevat foto’s van de gangen, keukens, badkamers en één van de bewoonde kamers. [verzoeker sub 1] heeft op de zitting verklaard dat hij de juistheid van de inhoud van de rapportage van 2 april 2026 niet betwist, en dat hij ervan uitgaat dat het pand op dat moment bewoond werd door arbeidsmigranten op de begane grond en de verdieping en niet als bedrijfspand werd gebruikt.
Uit de rapportage komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar voren dat het pand nog voor bewoning werd gebruikt en dat het strijdige gebruik dus nog niet was beëindigd. Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom terecht op het standpunt gesteld dat de bewoning in het pand niet was beëindigd, voor zover het niet om bewoning van de bedrijfswoning gaat. Ook heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de begane grond van het bedrijfspand niet ongeschikt was gemaakt voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. Dit betekent dat [verzoeker sub 1] in zoverre geen uitvoering heeft gegeven aan de last na afloop van de begunstigingstermijn en dat er twee dwangsommen van € 20.000,00 zijn verbeurd.
5. [verzoeker sub 1] betoogt dat het college dient af te zien van invordering omdat het voor hem door bijzondere omstandigheden onmogelijk was om voor afloop van de begunstigingstermijn op 1 april 2026 aan de last te voldoen. Hij voert aan dat zijn huurder, Inka Housing (Inka), weigerde om medewerking te verlenen aan het voor 1 april 2026 beëindigen van de bewoning door arbeidsmigranten en het verwijderen van de slaapvoorzieningen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een brief van Inka van 9 maart 2026 overgelegd.
5.1. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
5.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan door het college van invordering had moeten worden afgezien. Dat huurder Inka in de brief van 9 maart 2026 stelt dat het niet mogelijk is om voor 1 april 2026 de woning te ontruimen en dat volgens [verzoeker sub 1] ontruiming uitsluitend mogelijk is via een civielrechtelijke procedure, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van invordering dient af te zien. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de last op 13 juni 2024 aan [verzoeker sub 1] is opgelegd en de daarin opgenomen begunstigingstermijn meerdere keren is verlengd. [verzoeker sub 1] heeft ervoor gekozen om eerst op 20 februari 2026 de huurovereenkomst met Inka te beëindigen, terwijl hij al geruime tijd wist dat aan hem een last onder dwangsom was opgelegd. Uit de stukken volgt niet dat [verzoeker sub 1] eerder contact heeft opgenomen met Inka om de huurovereenkomst te beëindigen. De overige omstandigheden die [verzoeker sub 1] heeft aangevoerd vormen ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van invordering.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Denters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
817-1124