Uitspraak BRS.25.001849
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4615
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 18 november 2022 en 7 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkene en de kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001849
ECLI:NL:RVS:2026:4615
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 oktober 2025 in zaken nrs. NL24.23054 en NL23.39045 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 november 2022 en 7 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkene en de kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 20 november 2023 en 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris de daartegen door betrokkene en de kinderen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkene en de kinderen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene en de kinderen, vertegenwoordigd door mr. S.R. Kwee, advocaat in Rotterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Gelet op de toetsing die de rechtbank en de Afdeling verrichten naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, betrekt de Afdeling bij deze zaak niet de met ingang van 12 juni 2026 gewijzigde regelgeving op het gebied van nareis.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene en de kinderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026
1028