Uitspraak 202505886/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4722
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 november 2022 heeft de Waarderingskamer het verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk toegewezen. [appellant] heeft de Waarderingskamer verzocht om documenten aan hem te verstrekken over de waardevaststelling van het mandelig gebied behorende bij het project De Stadstuin in Amersfoort. De Waarderingskamer is gedeeltelijk aan het verzoek van [appellant] tegemoetgekomen. De Waarderingskamer heeft op verzoek van [appellant] in augustus 2020 navraag gedaan bij de gemeente Amersfoort over De Stadstuin. Deze correspondentie heeft de Waarderingskamer, na anonimisering op grond van artikel 5.1 van de Woo, verstrekt. In de rapporten van onderzoeken die bij de gemeente Amersfoort hebben plaatsgevonden kwam De Stadstuin niet voor. Die onderzoeken vielen volgens de Waarderingskamer daarom buiten het verzoek van [appellant]. Verder heeft de Waarderingskamer de correspondentie van [appellant] met de Waarderingskamer niet verstrekt omdat [appellant] heeft verzocht om inzage in het toezicht van de Waarderingskamer op de gemeente Amersfoort.
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202505886/1/A3.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2025 in zaak nr. 23/2762 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Waarderingskamer.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2022 heeft de Waarderingskamer het verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 15 februari 2023 heeft de Waarderingskamer het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Waarderingskamer heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juli 2026, waar [appellant], en de Waarderingskamer, vertegenwoordigd door ir. R.M. Kathmann, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Waarderingskamer verzocht om documenten aan hem te verstrekken over de waardevaststelling van het mandelig gebied behorende bij het project De Stadstuin in Amersfoort. De Waarderingskamer is gedeeltelijk aan het verzoek van [appellant] tegemoetgekomen. De Waarderingskamer heeft op verzoek van [appellant] in augustus 2020 navraag gedaan bij de gemeente Amersfoort over De Stadstuin. Deze correspondentie heeft de Waarderingskamer, na anonimisering op grond van artikel 5.1 van de Woo, verstrekt. In de rapporten van onderzoeken die bij de gemeente Amersfoort hebben plaatsgevonden kwam De Stadstuin niet voor. Die onderzoeken vielen volgens de Waarderingskamer daarom buiten het verzoek van [appellant]. Verder heeft de Waarderingskamer de correspondentie van [appellant] met de Waarderingskamer niet verstrekt omdat [appellant] heeft verzocht om inzage in het toezicht van de Waarderingskamer op de gemeente Amersfoort.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval dat er na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder het bestuursorgaan berust en deze mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het dan in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat dat document toch onder het bestuursorgaan berust. De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van de Waarderingskamer dat er niet meer stukken bij haar berusten, niet ongeloofwaardig voorkomt. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval zou zijn. Dat [appellant] contact heeft gehad met een medewerker van de Waarderingskamer en dat een bestuurslid van de Waarderingskamer een nevenfunctie heeft waarbij zij op de hoogte zou zijn geraakt van het project De Stadstuin leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat hij financiële schade heeft geleden door een miscommunicatie tussen een WOZ-functionaris en de Waarderingskamer. Hierdoor zou hij financieel benadeeld zijn bij de aankoopsom van zijn mandelige grond en het onderhoud daarvan. [appellant] vraagt zich af hoe de WOZ-aanslagen zijn beoordeeld op juistheid van de eerste oplevering. Verder verzoekt hij te gelasten dat de gemeente Amersfoort de mandelige gebieden terug moet nemen tegen financiële compensatie, waaronder immateriële schadevergoeding. [appellant] verzoekt ook om de Waarderingskamer te veroordelen wegens vermeend tekortschieten in haar controlefunctie. Tot slot heeft [appellant] vijf vragen ten aanzien van de mandelige grond en de totstandkoming daarvan.
Beoordeling hoger beroep
4. De Waarderingskamer heeft het Woo-verzoek van [appellant] op goede gronden deels toegewezen. Wat [appellant] in hoger beroep wil bereiken, omschreven onder rechtsoverweging 3 van deze uitspraak, kan hij niet met deze procedure bereiken. Voor zover [appellant] het oordeel van de rechtbank bestrijdt, volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank en de onder 4 en 7 tot en met 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
844-1199