Uitspraak 202504371/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4646
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 in zaak nr. 25/3876. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om stukken die ten grondslag liggen aan een besluit van de minister op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Volgens [appellant] is het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd, omdat - kortgezegd - geen sprake is van een eerlijk proces. Hij verzoekt daarom ook primair het verzoek om beperkte kennisneming af te wijzen.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202504371/2/A3.
Datum beslissing: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 in zaak nr. 25/3876 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 in zaak nr. 25/3876.
De minister heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
[appellant] heeft gereageerd op het verzoek.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om stukken die ten grondslag liggen aan een besluit van de minister op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Bij dat besluit heeft de minister aan [appellant] aan aantal bestuurlijke maatregelen opgelegd. Volgens de minister heeft hij deze gegevens gekregen onder de uitdrukkelijke voorwaarde van geheimhouding. De informatie is te herleiden tot afzenders die de informatie hebben verstrekt. Zij zijn beducht voor de gevolgen van het delen van de informatie. [appellant] zou zich tegen hen kunnen keren. Afzenders zouden risico kunnen lopen als de informatie wordt gedeeld. Daarnaast wordt gestructureerd overleg belemmerd als informatie die uit dat overleg komt, wordt gedeeld met de betrokkene. Het kan daardoor zo zijn dat de minister zijn taak op het gebied van bescherming van de nationale veiligheid door inzet van de Twbmt niet goed kan vervullen. Afzenders zullen minder makkelijk informatie delen met de minister, terwijl de deskundige inbreng van dan niet meer is verzekerd. Verder houdt de minister er rekening mee dat [appellant] informatie uit deze stukken binnen zijn netwerk zal delen. Om deze redenen is beperking van de kennisneming gerechtvaardigd, aldus de minister.
2. Volgens [appellant] is het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd, omdat - kortgezegd - geen sprake is van een eerlijk proces. Hij verzoekt daarom ook primair het verzoek om beperkte kennisneming af te wijzen. Voor zover dat niet mogelijk is, verzoekt hij een dataroom in te richten waarin een gemachtigde kennis van de door de minister overgelegde stukken kan nemen of het verzoek slechts gedeeltelijk toe te wijzen.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft kennisgenomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde stukken. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van de minister dat slechts beperkt kennis kan worden genomen van de documenten zwaarder dan het belang van [appellant] dat hij de documenten kent. De documenten bevatten een nadere onderbouwing van de redenen voor de oplegging van de bestuurlijke maatregel, zoals die zijn opgenomen in het besluit van 9 mei 2025. Daarin zijn namen van melders opgenomen. Het is in het belang van het proces tot oplegging van de bestuurlijke maatregel dat melders anoniem kunnen blijven. Voorkomen moet worden dat zij gevaar lopen. Daarnaast moet overleg over het al dan niet opleggen van dit soort maatregelen in vertrouwelijkheid kunnen plaatsvinden. Ook moeten dit soort de documenten in vertrouwelijkheid kunnen worden opgesteld en moet worden voorkomen dat deze worden verspreid. Voor het oordeel dat een deel van de stukken wel kan worden verstrekt, ziet de Afdeling geen aanleiding.
5. Anders dan [appellant] stelt, leidt toepassing van artikel 8:29 van de Awb als regel niet tot de conclusie dat geen sprake zal zijn van een eerlijk proces (vergelijk de uitspraak van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2444), onder 4). De Afdeling weegt in deze zaak mee dat in het besluit van 9 mei 2025 een onderbouwing van het besluit is gegeven. De Afdeling voegt hier wel aan toe dat dit oordeel van de geheimhoudingskamer in zoverre voorlopig is, dat het uiteindelijk aan de zittingskamer is die de zaak inhoudelijk zal behandelen om te beoordelen of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, sprake is geweest van een eerlijk proces.
6. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd. Gelet hierop bestaat er geen reden om tegemoet te komen aan het verzoek van [appellant] om een dataroom in te richten waarin een gemachtigde kennis van de door de minister overgelegde stukken kan nemen. De Afdeling laat in het midden of voor het treffen van een dergelijke voorziening een grondslag in de Awb bestaat en in hoeverre een dergelijke voorziening effectief kan zijn, omdat de (informatie uit) stukken, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met niemand kan worden gedeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J. Drop, leden van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Daalder
Voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
1071