Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504600/1/V2

Uitspraak 202504600/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4563
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor de autoriteiten en de colectivos vanwege haar deelname aan een protestmars en de problemen die zij naar aanleiding daarvan heeft ondervonden.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504600/1/V2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.23272 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Loth, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor de autoriteiten en de colectivos vanwege haar deelname aan een protestmars en de problemen die zij naar aanleiding daarvan heeft ondervonden.

1.1.    Appellant heeft verklaard dat zij werkte als arts en dat zij op 27 februari 2023 eenmalig had geprotesteerd tegen de autoriteiten. Na het protest kreeg zij problemen op werk. Op 13 maart 2023 werd zij voor het eerst geïntimideerd door een hooggeplaatst persoon van de lokale gemeenschapsraad. Op 12 april 2023 werd zij gedwongen om mee te doen aan een pro-overheidsdemonstratie. Dat weigerde appellant. Op 18 april 2023 gooiden twee mannen op een motor een object tegen het glas van het gebouw van haar dokterspost. Op 19 april 2023 deed zij aangifte daarvan. Op 2 mei 2023 werd zij ontslagen als arts wegens het aanzetten tot haat en terrorisme. Op 4 mei 2023 vielen vier gemaskerde mannen haar fysiek aan op straat. Op 3 juni 2023 vertrok appellant uit Venezuela.

1.2.    De minister vindt deze problemen geloofwaardig, maar gelooft niet dat appellant bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarvoor acht de minister allereerst van belang dat appellant op 30 maart 2023 een paspoort heeft gekregen, terwijl de gestelde problemen toen al waren begonnen. Dit duidt er volgens de minister niet op dat de autoriteiten appellant zien als politiek opposant. Ten tweede wijst de minister erop dat appellant op 3 juni 2023 legaal is uitgereisd waarbij haar paspoort werd gecontroleerd en waarbij zij werd ondervraagd. Ten derde vindt de minister het van belang dat appellant geen prominent politiek opposant is. Zij heeft een keer gedemonstreerd en had daarbij geen bijzondere rol. Uit de manier waarop zij haar mening deelde met patiënten binnen de dokterspost, blijkt niet dat zij een groot bereik had. Tot slot vindt de minister relevant dat appellant zelf na 4 mei 2023 geen problemen meer heeft gehad en dat haar familie na haar vertrek ook geen noemenswaardige problemen heeft ondervonden.

1.3.    De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Volgens de rechtbank heeft de minister haar terecht niet als prominent politiek opposant aangemerkt, mede gelet op de door appellant in beroep ingebrachte informatie van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) over opposanten in Venezuela. Volgens de rechtbank heeft appellant ook niet nader toegelicht hoe uit deze informatie volgt dat zij bij terugkeer toch een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verder volgt de rechtbank de hiervoor genoemde standpunten van de minister.

1.4.    Appellant klaagt in de enige grief dat het, juist gelet op de informatie van VWN, blijkt dat iedereen willekeurig als politiek opposant kan worden aangemerkt. Volgens appellant heeft de rechtbank haar oordeel over het standpunt van de minister over de gestelde vrees bij terugkeer dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

1.5.    De Afdeling heeft de minister verzocht een nadere toelichting te geven op zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Venezuela moet vrezen voor de Venezolaanse autoriteiten of de colectivos. De minister heeft op 19 december 2025 gereageerd op dit verzoek. De Afdeling zal de antwoorden van de minister in het vervolg van deze uitspraak alleen weergeven, voor zover deze standpunten relevant zijn voor de beoordeling van het geschil in hoger beroep.

Oordeel over het hoger beroep

2.       In de enige grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank haar oordeel over het standpunt van de minister over de gestelde vrees bij terugkeer ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dat zal de Afdeling hierna toelichten.

2.1.    Allereerst wijst appellant er terecht op dat het, juist gelet op de informatie van VWN, onduidelijk is waarom de rechtbank de minister volgt in het standpunt dat van belang is dat appellant geen prominent politiek opposant is. De Afdeling constateert namelijk dat uit de informatie van VWN volgt dat ook minder prominente politieke opposanten kunnen worden vervolgd en dat de willekeur groot is. Voor zover de minister er in de schriftelijke inlichtingen op wijst dat uit de informatie van VWN ook volgt dat leiders en organisatoren van oppositiepartijen nog steeds het grootste risico lopen op vervolging, is dat juist. Appellant erkent zelf ook dat zij slechts een arts was die tegen het regime was. Zij wijst er echter terecht op dat haar protest wel tot concrete problemen heeft geleid met de lokale gemeenschapsraad en vermoedelijk met de colectivos, waaronder een fysieke aanval. Dit is relevante informatie voor de vraag of appellant bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging. Door de minister te volgen in het standpunt dat appellant geen prominent politiek opposant is, zonder daarbij in te gaan op de problemen die appellant in het verleden al heeft ondervonden, heeft de rechtbank haar oordeel over de gestelde vrees bij terugkeer niet deugdelijk gemotiveerd.

2.2.    Ten tweede wijst appellant erop dat zij in beroep argumenten heeft aangevoerd die de rechtbank niet kenbaar heeft betrokken in haar oordeel. Appellant heeft in beroep namelijk naar voren gebracht dat zij in het nader gehoor uitleg heeft gegeven over de mogelijkheid dat zij legaal kon uitreizen. Zij heeft verklaard dat zij zich voorstelt dat de migratiecontrole niet zo effectief was en zij wees daarbij op het feit dat zij geen belangrijke politica was, maar een arts die tegen het regime was.

2.2.1. Weliswaar heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister voor zijn standpunt over de gestelde vrees bij terugkeer het relevant mocht vinden dat appellant na ondervraging op het vliegveld door mocht reizen, maar daarmee is de rechtbank niet gemotiveerd ingegaan op deze beroepsgrond. Dit terwijl niet zonder meer duidelijk is dat de nationale instanties ten tijde van de uitreis van appellant ook op de hoogte waren van haar lokale problemen. Anders dan de minister in de schriftelijke inlichtingen stelt, is de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, wel van belang in dit verband. Onder 6.5 van die uitspraak heeft de Afdeling namelijk overwogen dat uit openbare landeninformatie over Venezuela niet volgt dat personen met problemen met een lokale colectivo altijd op een centrale lijst staan. De rechtbank is dan ook ten onrechte niet ingegaan op de beroepsgrond hierover.

2.2.2. Appellant heeft in beroep ook naar voren gebracht dat zij in het nader gehoor uitleg heeft gegeven over de mogelijkheid dat aan haar een paspoort is verleend. Ook hier is de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd op ingegaan. Weliswaar heeft de rechtbank overwogen dat uit het feit dat zij een paspoort heeft gekregen, niet volgt dat de autoriteiten haar zagen als een politiek opposant, maar daarmee reageert de rechtbank niet op de door appellant aangehaalde verklaring uit het nader gehoor dat zij haar paspoort al had gekregen op 30 maart 2023. Dat was immers voordat zij op 2 mei 2023 formeel werd ontslagen wegens het aanzetten tot haat en terrorisme. De minister wijst er in de schriftelijke inlichtingen nog op dat de organisatie SAIME, waar appellant haar paspoort heeft aangevraagd, lijsten beheert van personen die worden gezocht en dat er op het moment van afgifte van het paspoort al wel een vertegenwoordiger van de lokale gemeenschapsraad op haar werk langs was geweest. Maar hieruit volgt niet zonder meer dat SAIME op het moment van de afgifte van het paspoort ook al op de hoogte was van dat bezoek op haar werk. De rechtbank is dan ook ten onrechte niet ingegaan op de beroepsgrond hierover.

2.2.3. Tot slot heeft appellant in beroep betoogd dat de rol van de colectivos en de bedreigingen aan het adres van haar ouders onderbelicht is gebleven in de beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de colectivos of andere groeperingen niet bij appellant thuis of bij haar ouders langs zijn geweest om haar lastig te vallen of om andere vormen van intimidatie of geweld te gebruiken. Maar ook dit oordeel heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De minister heeft immers erkend dat de ouders van appellant na haar vertrek nog twee keer bezoek hebben gekregen van de lokale autoriteiten waarbij zij vroegen naar appellant. Dat de autoriteiten bij deze bezoeken geen geweld hebben gebruikt, betekent niet dat er aan deze omstandigheid geen waarde kan worden gehecht. Dit geeft op zijn minst een indicatie dat appellant na haar vertrek nog in het vizier was bij deze autoriteiten.

2.3.    De enige grief slaagt.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Bij haar oordeel over het beroep zal zij de sinds januari 2026 veranderde situatie in Venezuela moeten betrekken. De Afdeling oordeelt verder dat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.23272;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Heinen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026

984


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon