Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601147/1/A2

Uitspraak 202601147/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4720
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 11 december 2025 heeft de examencommissie zich op het standpunt gesteld dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd bij een wekelijkse opdracht voor het vak SLC2002 Skills Development. Bij beslissing van 5 maart 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] volgt de bacheloropleiding European Law School aan de Universiteit Maastricht. In het kader van het vak "SLC2002 Skills Development" (hierna ook: het vak) moet zij wekelijks opdrachten inleveren. Bij de beoordeling van één van de wekelijkse opdrachten heeft de examinator aanleiding gezien om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Deze wekelijkse opdracht strekte ertoe dat een student zelf bronnen zoekt die passen bij een later te verrichten opdracht, dat de student deze bronnen correct vermeldt conform de aangeleverde juridische leidraad en dat de student een korte samenvatting geeft van de bronnen en duidt hoe deze passen bij de later te maken opdracht.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601147/1/A2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (het CBE),
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 11 december 2025 heeft de examencommissie zich op het standpunt gesteld dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd bij een wekelijkse opdracht voor het vak SLC2002 Skills Development.

Bij beslissing van 5 maart 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

Het CBE heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 juli 2025, waar [appellante], bijgestaan door dr. mr. H.C. Ingelse, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. M. van den Hove en mr. E.L.M. Preller, zijn verschenen. Als tolk trad op A. Kozak-de Wit.

Overwegingen

1.       [appellante] volgt de bacheloropleiding European Law School aan de  Universiteit Maastricht. In het kader van het vak "SLC2002 Skills Development" (hierna ook: het vak) moet zij wekelijks opdrachten inleveren.

Bij de beoordeling van één van de wekelijkse opdrachten heeft de examinator aanleiding gezien om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Deze wekelijkse opdracht strekte ertoe dat een student zelf bronnen zoekt die passen bij een later te verrichten opdracht, dat de student deze bronnen correct vermeldt conform de aangeleverde juridische leidraad en dat de student een korte samenvatting geeft van de bronnen en duidt hoe deze passen bij de later te maken opdracht.

2.       De examencommissie heeft geconcludeerd dat er voldoende grond is om vast te stellen dat sprake is van fraude. De fouten vallen niet binnen de reikwijdte van een menselijke fout. [appellante] heeft onvoldoende kunnen verklaren waarom de bronnen in de opdracht onjuist of onvindbaar waren. [appellante] heeft het onmogelijk gemaakt om haar kennis en vaardigheden adequaat te toetsen en ongeoorloofd gebruik gemaakt van kunstmatige intelligentie (hierna: AI). De sanctie die in de beslissing aan [appellante] is opgelegd, houdt in dat er een formele waarschuwing wordt opgenomen in haar studentendossier, dat alle toetsonderdelen van het vak ongeldig worden verklaard en dat [appellante] niet mag deelnemen aan de herkansing van het vak.

In het verweerschrift dat de examencommissie bij het CBE heeft ingediend is verder toegelicht dat de verdenking van fraude ziet op het gebruik van AI in drie van de vier bronnen bij de opdracht. De examencommissie heeft daarbij weergegeven op welke wijze [appellante] de bronnen heeft opgenomen en wat bestaande bronnen zijn die elementen delen met de bronnen waarnaar [appellante] heeft verwezen. De verschillen tussen de drie bronvermeldingen die [appellante] in de wekelijkse opdracht heeft opgenomen en de bestaande bronnen zien onder meer op: de weergave van een ander vaktijdschrift of een andere editie van dit vaktijdschrift, een ander jaar van publicatie, een onvolledige titel van het artikel en andere paginanummers als vindplaats. De examencommissie heeft verder opgemerkt dat als verzwarende omstandigheid geldt dat de gemaakte opdracht juist zag op het op correcte wijze omgaan met bronnen. De door [appellante] weergegeven bronnen bestaan niet en de manier waarop deze zijn opgenomen in de opdracht duidt op het gebruik van AI. Er is sprake van fraude in de zin van artikel 12 van de Richtlijnen en Aanwijzingen 2025/2026 (R&A).

Bestreden beslissing

3.       Het CBE heeft het administratief beroep ongegrond verklaard. Daaraan heeft het CBE ten grondslag gelegd dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellante] heeft gefraudeerd. Daarmee heeft [appellante] gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de R&A. De examencommissie heeft met hoge waarschijnlijkheid aangetoond dat het ingediende werk door kunstmatige intelligentie is gegenereerd. Het ingediende werk bevat verwijzingen naar bronnen die niet bestaan, dan wel niet bestaan op de aangegeven vindplaatsen. [appellante] was tijdens het gesprek met de examinator ook niet in staat bronnen over te leggen op de wijze waarop deze geciteerd zijn. Het CBE acht het niet aannemelijk dat de tekortkomingen in de bronvermelding het gevolg zijn van dyslexie, omdat de tekortkomingen op een aantal cruciale punten niet het gevolg kunnen zijn van dyslexie, zoals de omstandigheid dat de titels niet kloppen bij het tijdschrift waarin is gepubliceerd.

Beroep

Zorgvuldig onderzoek

4.       [appellante] betoogt dat het onderzoek naar de vermeende fraude niet zorgvuldig is gedaan. Er is geen technische analyse verricht, er is geen AI-detectietool ingezet en er is geen ander direct bewijs ingebracht dat het werk door kunstmatige intelligentie is gegenereerd. Verder is nooit aan haar gevraagd of zij gebruik heeft gemaakt van AI.

4.1.    Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831, onder 10.4, merkt zij sinds die uitspraak de sancties die worden opgelegd op grond van artikel 7.12b, tweede lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) niet langer als bestraffend aan, maar als pedagogisch disciplinaire herstelsancties. In die uitspraak is onder 11.1. ook overwogen dat een beslissing om een student een herstelsanctie op te leggen moet voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, daaraan stellen. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de examencommissie om voorafgaand aan de beslissing alle feiten en gegevens over de gedraging die aanleiding geeft tot het opleggen van een sanctie en de betrokken belangen te vergaren. Hierbij is ook van belang dat de student die informatie tijdig ontvangt, zodat hij daarop kan reageren.

4.2.    De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beslissing van 5 maart 2026 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de overgelegde stukken volgt dat de examinator [appellante] heeft geïnformeerd over het vermoeden van fraude en dat zij de onderbouwing van de docent over het vermoeden van fraude heeft gekregen. Daarmee heeft [appellante] tijdig en volledig de informatie over het vermoeden van fraude ontvangen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3551, onder 8.4). De Afdeling ziet daarbij geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek niet zorgvuldig is verricht omdat het onderzoek naar de vermeende fraude niet met behulp van technische middelen is verricht.

Het betoog slaagt niet.

Heeft het CBE een verkeerde maatstaf toegepast?

5.       [appellante] betoogt dat het CBE een verkeerde bewijsmaatstaf heeft gehanteerd. Er is niet beoordeeld of buiten redelijke twijfel vaststaat dat [appellante] heeft gefraudeerd. Daarmee is ook sprake van een motiveringsgebrek.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de hiervoor genoemde uitspraak van 23 april 2025, onder 11.3, geldt voor herstelsancties dat buiten redelijke twijfel vast moet komen te staan dat de student heeft gefraudeerd. Uit de beslissing van 5 maart 2026 volgt dat het CBE ook heeft beoordeeld of uit de voorgelegde feiten en omstandigheden volgt dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [appellante] heeft gefraudeerd. Van een verkeerde maatstaf is daarmee geen sprake.

Het betoog slaagt niet.

Staat de fraude buiten redelijke twijfel vast?

6.       [appellante] betoogt dat geen sprake kan zijn van fraude in de zin van artikel 12 van de R&A. Dit artikel vereist dat toetsing onmogelijk was en dat is bij het enkel onjuist citeren van bronnen niet het geval. Foutieve bronverwijzingen kunnen niet meteen als fraude worden aangemerkt. Het CBE heeft niet onderkend dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellante] heeft gefraudeerd en ook niet dat de bewijslast van de overtreding, gelet op artikel 6 van het EVRM, bij het bestuursorgaan ligt. Bij twijfel zou de betrokkene het voordeel van de twijfel gegund moeten worden. Voor iedere afwijking in de bronvermelding is een verifieerbare verklaring. [appellante] heeft de opdracht afgerond in tijdnood en haar internetverbinding was op dat moment slecht. Zij was aangewezen op haar geheugen en op de aantekeningen die zij twee weken eerder op haar telefoon had gemaakt. In haar aantekeningen is bijvoorbeeld terug te zien dat zij als ‘publisher’ de Universiteit van Oslo heeft genoteerd, hetgeen zij bij het uitwerken van de opdracht ten onrechte heeft vermeld als aanduiding van het tijdschrift waarin is gepubliceerd. De auteur heeft aan deze universiteit gewerkt, maar op basis van haar aantekeningen heeft [appellante] de referentie onjuist verwerkt. Bovendien is onvoldoende in de beoordeling betrokken dat bij [appellante] sprake is van ontwikkelingsdyslexie, dysgrafie en dysorthografie.

6.1.    Uit artikel 7.12b, tweede lid, van de WHW volgt dat de examencommissie, indien een student fraudeert, deze het recht kan ontnemen om één of meerdere door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. In artikel 30, eerste lid, van de Onderwijs- en Examenregeling van de bacheloropleidingen Rechtsgeleerdheid en Fiscaal Recht (OER) is fraude gedefinieerd als een gedraging of nalaten door een student waardoor een juist oordeel over de eigen kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt. In artikel 12 van de R&A is nader uitgewerkt wat onder fraude wordt verstaan. In dit artikel is het fraudebegrip uit de OER herhaald, waaraan een niet limitatieve opsomming van voorbeelden is toegevoegd. Uit artikel 12, tweede lid, van de R&A volgt dat indien het gebruik van kunstmatige intelligentie bij een opdracht is toegestaan, dit expliciet in het cursusmateriaal wordt benoemd.

6.2.    Zoals hiervoor is overwogen, zag de opdracht waarbij de fraudemelding is gedaan in het bijzonder op het zelfstandig zoeken van bronnen en het correct vermelden daarvan. Uit de overgelegde stukken volgt dat de door [appellante] ingeleverde opdracht ten aanzien van drie van de vier door haar opgenomen bronnen wezenlijke tekortkomingen kent in de wijze waarop deze zijn weergegeven, ten opzichte van de werkelijke vindplaats. Zoals de examencommissie heeft aangegeven, heeft [appellante] als vindplaats van de artikelen onder meer verkeerde vaktijdschriften genoteerd, een onvolledige titel van een artikel weergegeven en verwezen naar verkeerde paginanummers en verkeerde jaren waarin de artikelen zouden zijn gepubliceerd. Het CBE gaat er daarbij vanuit dat de door [appellante] ingeleverde opdracht gegenereerd is door AI, waarbij het heeft opgemerkt dat de fouten kenmerkend zijn voor het gebruik van AI. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE zich op het standpunt mogen stellen dat de tekortkomingen niet verklaard kunnen worden door de omstandigheden die [appellante] als verklaring heeft aangevoerd; zijnde dyslexie, een slechte internetverbinding en tijdsdruk. De Afdeling is van oordeel dat de door [appellante] overgelegde aantekeningen ook geen verklaring geven voor de afwijkingen in de bronvermeldingen. Daarbij betrekt de Afdeling dat deze aantekeningen niet de vindplaatsen vermelden, zoals [appellante] die nadien in de opdracht heeft opgenomen. De Afdeling merkt op dat het bovendien gaat om een opdracht die specifiek gaat over het correct vermelden van de vindplaats van bronnen. Daarbij wordt verwacht dat de bronvermelding, zoals die in een bibliografie zou worden weergegeven, precies klopt, waarbij anderen er van moeten kunnen uitgaan dat opgenomen informatie verifieerbaar is op de aangegeven vindplaats. [appellante] heeft daarentegen niet gecontroleerd of de door haar opgenomen bronvermelding juist was. De Afdeling is van oordeel dat het CBE zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellante] heeft gefraudeerd door ongeoorloofd gebruik te maken van AI bij haar opdracht en dat het bij deze stand van zaken niet mogelijk is om de kennis, het begrip en de vaardigheden van [appellante] te beoordelen.

Het betoog slaagt niet.

Is het besluit onevenredig?

7.       [appellante] betoogt dat de opgelegde sanctie disproportioneel is. Zij heeft op de zitting aangegeven dat het haar daarbij in het bijzonder gaat om de omstandigheid dat in haar dossier een formele waarschuwing is opgenomen.

7.1.    In artikel 15, derde lid, van de R&A is opgenomen dat de examencommissie bij fraude als standaardsanctie onder meer een formele waarschuwing oplegt. Uit artikel 15, vierde lid, van de R&A volgt dat de examencommissie een zwaardere of lichtere sanctie kan opleggen, indien de feiten en/of omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De lichtste sanctie is daarbij het opleggen van een formele waarschuwing. Uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd blijkt niet dat haar situatie zo bijzonder is, dat de examencommissie zou hebben moeten afzien van het opleggen van een formele waarschuwing.

Het betoog slaagt niet.

Schadevergoeding

8.       [appellante] verzoekt om, bij een gegrond beroep, schadevergoeding aan haar toe te kennen vanwege schade die zij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige beslissingen. Zij stelt dat zij immateriële schade heeft geleden. De fraudeaantekening in het studentendossier vormt een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek. Door de beschuldiging en de aantekening leidt zij reputatieschade en psychische schade.

8.1.    Uit de ongegrondverklaring van het beroep volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgesomde omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.

Conclusie

9.       Het beroep is ongegrond.

10.     Het college heeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep ongegrond;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Jong
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon