Uitspraak 202600678/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4541
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geweigerd aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning te verlenen voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. [appellant sub 2] wil een winkelruimte op de begane grond en een bovenwoning verbouwen tot twee eengezinswoningen met een dakopbouw en twee dakterrassen op de [locatie A] en [locatie B] in Haarlem. Daarvoor heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college. Het college heeft met de besluiten van 21 mei 2024 en 18 maart 2025 de vergunning geweigerd op de grond dat de aanvraag in strijd is met de geldende parkeernormen. [appellant sub 2] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 7 april 2026 wordt geschorst en het college wordt opgedragen de omgevingsvergunning te verlenen dan wel dat hij mag handelen als ware de vergunning is verleend, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
- Voorlopige voorziening
- Bouwen
Toon inhoud
202600678/2/R1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
2. [appellant sub 2], wonend in Spaarndam, gemeente Haarlemmermeer,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2026 in zaak nr. 25/2210 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning te verlenen voor de omgevingsplanactiviteit bouwen.
Bij besluit van 18 maart 2025 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 januari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2025 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 2].
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 7 april 2026 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] opnieuw ongegrond verklaard en de weigering om de vergunning te verlenen voor de omgevingsplanactiviteit bouwen gehandhaafd.
Het college tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 2] incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook heeft [appellant sub 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op een zitting op 23 juli 2026, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. W.A.A.M. Duineveld, advocaat in Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat in Haarlem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [appellant sub 2] wil een winkelruimte op de begane grond en een bovenwoning verbouwen tot twee eengezinswoningen met een dakopbouw en twee dakterrassen op de [locatie A] en [locatie B] in Haarlem. Daarvoor heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college.
Het college heeft met de besluiten van 21 mei 2024 en 18 maart 2025 de vergunning geweigerd op de grond dat de aanvraag in strijd is met de geldende parkeernormen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 18 maart 2025 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant sub 2] te nemen. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak en op 7 april 2026 een nieuw besluit genomen. Met het besluit van 7 april 2026 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] opnieuw ongegrond verklaard en de vergunning geweigerd. Het college stelt zich opnieuw op het standpunt dat de aanvraag niet voldoet aan de geldende parkeernormen. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Verder is hij het niet eens met het nieuwe besluit op bezwaar van 7 april 2026. Hij wil graag zo spoedig mogelijk beginnen met de uitvoering van het bouwplan waarvoor hij een vergunning heeft aangevraagd. Om die reden heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek
3. [appellant sub 2] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 7 april 2026 wordt geschorst en het college wordt opgedragen de omgevingsvergunning te verlenen dan wel dat hij mag handelen als ware de vergunning is verleend, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter licht hierna toe waarom.
5. Dat het college volgens [appellant sub 2] geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2026 door de gevraagde vergunning bij besluit van 7 april 2026 opnieuw te weigeren en dat hij zo spoedig mogelijk wil beginnen met de uitvoering van het voorgenomen bouwplan omdat de panden op dit moment leegstaan, zijn geen omstandigheden die onverwijlde spoed opleveren. Deze omstandigheden leiden namelijk niet tot onomkeerbare gevolgen waardoor het oordeel van de Afdeling over het hoger beroep niet kan worden afgewacht.
Dat de weigering van de omgevingsvergunning leidt tot oplopende kosten voor [appellant sub 2] is, hoewel [appellant sub 2] dit niet heeft onderbouwd, weliswaar aannemelijk, maar levert in dit geval geen spoedeisend belang op. Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak van 25 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4510, vormt een financieel belang op zichzelf in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit zou anders zijn als [appellant sub 2] aannemelijk maakt dat hij als gevolg van het besluit van 7 april 2026 in een financiële noodsituatie verkeert of op korte termijn zou komen te verkeren. [appellant sub 2] heeft niet onderbouwd dat hij als gevolg van de weigering van de vergunning in een financiële noodsituatie verkeert of op korte termijn in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Denters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026
817-1124