Uitspraak 202505119/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4718
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2020 in zaak nr. 19/47 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. In de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de caravan, de overkapping, het meterhuisje en de containers op het perceel kadastraal bekend gemeente Sint Odiliënberg, [locatie] dat in mede-eigendom is van [verzoekster]. Er is namelijk sprake van een overtreding, omdat de bouwwerken op dat perceel zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn gebouwd dan wel zonder die omgevingsvergunning in stand worden gehouden. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen aanleiding had moeten zien om af te wijken van het handhavend optreden, omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. In het verzoek stelt [verzoekster] dat zij bekend is geworden met het schriftelijk verslag van een klantencontact uit 2017 waarin door de toezichthouder van de gemeente is genoteerd dat de caravan en de stalling op het perceel mogen en dat dit moet leiden tot herziening van de uitspraak van 25 augustus 2021.
- Herziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202505119/1/R2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920.
Procesverloop
Bij uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2020 in zaak nr. 19/47 ongegrond verklaard.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoekster] en het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 22 juli 2026, waar [verzoekster], bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen. Via een online videoverbinding heeft het college, vertegenwoordigd door S. Coban, aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. In de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de caravan, de overkapping, het meterhuisje en de containers op het perceel kadastraal bekend gemeente Sint Odiliënberg, [locatie] dat in mede-eigendom is van [verzoekster]. Er is namelijk sprake van een overtreding, omdat de bouwwerken op dat perceel zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn gebouwd dan wel zonder die omgevingsvergunning in stand worden gehouden. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen aanleiding had moeten zien om af te wijken van het handhavend optreden, omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Toetsingskader verzoek om herziening
2. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb).
Een uitspraak wordt alleen dan herzien als aan alle drie deze voorwaarden is voldaan.
Beoordeling van het verzoek
3. In het verzoek stelt [verzoekster] dat zij bekend is geworden met het schriftelijk verslag van een klantencontact uit 2017 waarin door de toezichthouder van de gemeente is genoteerd dat de caravan en de stalling op het perceel mogen en dat dit moet leiden tot herziening van de uitspraak van 25 augustus 2021. Zij heeft dit verslag pas in 2025 in handen gekregen na een procedure op grond van de Wet open overheid. Volgens [verzoekster] toont dit verslag aan dat van de zijde van het college toezeggingen zijn gedaan waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college niet handhavend zou optreden tegen de aanwezigheid van de bouwwerken op het perceel. Als dit verslag bekend was geweest bij de Afdeling ten tijde van de uitspraak van 25 augustus 2021, zou dit volgens haar tot een andere uitspraak hebben geleid.
3.1. De Afdeling is van oordeel dat als het schriftelijk verslag uit 2017 eerder bekend was geweest, dit niet had kunnen leiden tot een andere uitspraak. [verzoekster] heeft met het verslag namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er een toezegging van het college is gedaan waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college niet handhavend zou optreden tegen de bouw en het in stand laten van de bouwwerken op het perceel. Allereerst is de mededeling van de toezichthouder uit het verslag, dat "caravan en stalling mag, enkel er mag niet geslapen worden recreatief", destijds alleen gedaan aan de verzoeker om handhaving. Voor zover [verzoekster] stelt dat de mededeling uit het verslag haar standpunt ondersteunt dat dit ook zo met haar is besproken en waarvan zij zelf verslag had gedaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft overwogen komt uit de stukken, waaronder het eigen verslag van [verzoekster], naar voren dat door de toezichthouder tijdens de controle van 20 maart 2017 is gesteld dat opslag op het perceel en een verblijf van enkele nachten in de caravan mogen. De Afdeling ziet daarom niet in waarom uit het schriftelijke verslag van de toezichthouder over een mededeling aan een derde zou blijken dat het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 25 augustus 2021, dat er geen sprake is van een ondubbelzinnige toezegging door het college, onjuist was en zou moeten leiden tot een andere uitspraak.
Het betoog slaagt niet.
4. [verzoekster] voert verder aan dat zij ook bekend geworden is met interne mailberichten uit 2021 van ambtenaren van de gemeente. Deze mailberichten tonen volgens [verzoekster] aan dat ambtenaren van de gemeente in 2021 op de hoogte waren van het feit dat op omliggende percelen ook bouwwerken stonden die zonder vergunning zijn opgericht en waartegen het college structureel niet-handhavend heeft opgetreden. Als de Afdeling bekend was geweest met deze mailberichten had dit volgens [verzoekster] kunnen leiden tot een andere uitspraak, omdat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. [verzoekster] verzoekt de Afdeling ook daarom de uitspraak van 25 augustus 2021 te herzien.
4.1. Ook de interne mailberichten kunnen, waren zij eerder bekend geweest bij de Afdeling, niet leiden tot herziening van de uitspraak van 25 augustus 2021. De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat het college na een verzoek om handhaving wegens het zonder omgevingsvergunning plaatsen van een bouwwerk ook daartegen handhavend heeft opgetreden. Dat uit de interne mailberichten blijkt dat op de omliggende percelen bouwwerken staan die zonder omgevingsvergunning zijn opgericht en waartegen het college niet handhavend heeft opgetreden, maakt het oordeel van de Afdeling uit de uitspraak van 25 augustus 2021 niet anders. Er is namelijk niet gebleken dat er handhavingsverzoeken waren ingediend tegen deze bouwwerken. In dat opzicht verschilt deze situatie met de situatie op het perceel van [verzoekster]. Alleen al hierom kunnen de interne mailberichten niet leiden tot een andere uitspraak.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
6. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
723-1186