Uitspraak BRS.26.003818
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4531
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003818
ECLI:NL:RVS:2026:4531
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 juli 2026 in zaken nrs. NL26.20048 en NL26.20066 in het geding tussen:
[verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hun voorgenomen overdracht aan Portugal op 5 augustus 2026 achterwege blijft, dat zij niet worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de aangevoerde belangen, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Portugal voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 5 augustus 2026 verstrijkt. De overdracht van verzoekers aan Portugal heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming, dan kunnen verzoekers vanuit Portugal worden teruggeleid naar Nederland.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026
987