Uitspraak 202600418/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4547
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek van MOB en Leefmilieu tot het opleggen van een verplichting aan [bedrijf] afgewezen. In de uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het beroep van MOB en Leefmilieu gegrond verklaard. Verder heeft zij bij die uitspraak het besluit van het college van 24 oktober 2023 vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen, binnen 26 weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. MOB en Leefmilieu stellen dat het college nog geen besluit heeft genomen en daarmee dus ook nog geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2025. MOB en Leefmilieu verzoeken de Afdeling om hun beroep gegrond te verklaren en het college op te dragen zo spoedig mogelijk een besluit te nemen, dit onder dreiging van een dwangsom voor iedere dag dat het college in gebreke blijft een besluit te nemen.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Vereenvoudigde behandeling
- Natuurbescherming
Toon inhoud
202600418/1/R2.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB) en vereniging Leefmilieu (Leefmilieu), beide gevestigd in Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college het verzoek van MOB en Leefmilieu tot het opleggen van een verplichting aan [bedrijf], afgewezen.
Bij uitspraak van 16 april 2025, in zaak nr. 23/3125, heeft de rechtbank Oost-Brabant het daartegen door MOB en Leefmilieu ingestelde beroep gegrond verklaard, heeft zij het besluit van 24 oktober 2023 vernietigd en is het college opgedragen binnen 26 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het verzoek van MOB en Leefmilieu.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [bedrijf] hoger beroep ingesteld en hebben MOB en Leefmilieu incidenteel hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft deze procedure geregistreerd onder zaak nr. 202502981/1/R2.
MOB en Leefmilieu hebben naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2025 bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Wettelijk kader/Overgangsrecht
1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een natuurvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken is ingediend op 28 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Het beroep en verweer
3. In de uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het beroep van MOB en Leefmilieu gegrond verklaard. Verder heeft zij bij die uitspraak het besluit van het college van 24 oktober 2023 vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen, binnen 26 weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
4. MOB en Leefmilieu stellen dat het college nog geen besluit heeft genomen en daarmee dus ook nog geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2025. MOB en Leefmilieu verzoeken de Afdeling om hun beroep gegrond te verklaren en het college op te dragen zo spoedig mogelijk een besluit te nemen, dit onder dreiging van een dwangsom voor iedere dag dat het college in gebreke blijft een besluit te nemen.
5. Het college stelt dat het nog geen besluit heeft genomen, maar wel bezig is met voorbereiding ervan. Het college geeft aan dat met de betrokken partijen gesprekken zijn of worden gevoerd en dat er plannen naar voren zijn gebracht, maar dat die nog moeten worden beoordeeld. Om recht te doen aan de verschillende betrokken belangen en om zorgvuldig een besluit te kunnen nemen, is in ieder geval tot 10 juli 2026 de tijd nodig, aldus het college.
De beoordeling van het beroep
6. Het college heeft nog niet besloten op de aanvraag van MOB en Leefmilieu. De termijn die de rechtbank in haar uitspraak van 15 april 2024 heeft gegeven, is overschreden. Dit betekent dat het college niet heeft voldaan aan die uitspraak en dat het beroep van MOB en Leefmilieu kennelijk gegrond is. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit moet worden vernietigd.
7. Gelet op het voorgaande gelet op het voorgaande en gezien artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dient het college alsnog een besluit te op de aanvraag van MOB en Leefmilieu. De Afdeling zal daartoe een termijn op grond van artikel 8:55d, derde lid, stellen, waarbij rekening is gehouden met het verweerschrift.
De Afdeling bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het college een dwangsom aan MOB en Leefmilieu verbeurt voor iedere dag dat het college in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. De Afdeling stelt de dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden. Daarbij zal de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu;
III. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om uiterlijk op 10 juli 2026 een besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV. bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 397,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
341-1089
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep
Afdeling 6.1. Inleidende bepalingen
Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. […], en
b. het niet tijdig nemen van een besluit.
Afdeling 6.2. Overige algemene bepalingen
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
[…]
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.2 Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Afdeling 8.2.4a Beroep bij niet tijdig handelen
Artikel 8:55b
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.
[…]
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
AANVULLINGSWET NATUUR OMGEVINGSWET
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
Artikel 2.9
1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is,
b. als tegen het besluit geen beroep open staat, tot het besluit van kracht is.
[…]