Uitspraak 202502945/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4610
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de kosten van het meevoeren, opslaan en afvoeren van de inboedel van de ontruimde woning aan de [locatie] in Amsterdam verhaald op [appellanten]. [appellanten] waren eigenaar van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Zij verhuurden de woning aan [persoon]. Door een huurachterstand is de woning op 30 november 2022 in opdracht van [appellanten] ontruimd. Na de ontruiming is de inboedel van [persoon] op straat achtergelaten. Het college heeft De Combinatie Amsterdam opdracht gegeven de inboedel mee te voeren en op te slaan. Het afval is naar de stort afgevoerd. In mei 2023 heeft het college aan de verhuurmakelaar van [appellanten] een factuur gestuurd voor betaling van de in verband met de ontruiming gemaakte kosten voor transport, opslag en stort. De totale kosten bedragen € 5.157,07. [appellanten] hebben bezwaar gemaakt tegen de factuur. Naar aanleiding daarvan heeft het college het bedrag verlaagd naar € 3.507,07. [appellanten] hebben te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit. Het college heeft vervolgens in oktober 2023 het bedrag nog eens gewijzigd en vastgesteld op € 3.160,57.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202502945/1/A2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2025 in zaak nr. 24/300 in het geding tussen:
[appellant A]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college de kosten van het meevoeren, opslaan en afvoeren van de inboedel van de ontruimde woning aan de [locatie] in Amsterdam vastgesteld op € 3.160,57 en deze kosten verhaald op [appellanten].
Bij besluit van 15 december 2023 heeft het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen het verhaal van die kosten ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door Okx ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak van de rechtbank hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.M.E. Schuttenhelm, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] waren eigenaar van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Zij verhuurden de woning aan [persoon]. Door een huurachterstand is de woning op 30 november 2022 in opdracht van [appellanten] ontruimd. Na de ontruiming is de inboedel van [persoon] op straat achtergelaten.
Het college heeft De Combinatie Amsterdam opdracht gegeven de inboedel mee te voeren en op te slaan. Het afval is naar de stort afgevoerd. Op 18 mei 2023 heeft het college aan de verhuurmakelaar van [appellanten] een factuur gestuurd voor betaling van de in verband met de ontruiming gemaakte kosten voor transport, opslag en stort. De totale kosten bedragen € 5.157,07.
[appellanten] hebben bezwaar gemaakt tegen de factuur. Naar aanleiding daarvan heeft het college het besluit van 6 oktober 2023 genomen en de hoogte van de in rekening gebrachte kosten gewijzigd vastgesteld, waarmee het verschuldigde bedrag uitkomt op € 3.507,07. [appellanten] hebben te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit. Het college heeft vervolgens het besluit van 11 oktober 2023 genomen en de hoogte van de in rekening gebrachte kosten gewijzigd vastgesteld, waarmee het verschuldigde bedrag uitkomt op € 3.160,57. Bij dat besluit heeft het college het herziene besluit van 10 oktober 2023 (lees: 6 oktober 2023) ingetrokken.
Het college heeft in zijn besluit op bezwaar van 15 december 2023 het bezwaar van [appellanten] ongegrond verklaard.
2. [appellanten] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 15 december 2023. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat het college het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. [appellanten] zijn het niet eens met dit oordeel van de rechtbank en hebben daarom hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Volgens hen had het besluit op bezwaar (gedeeltelijk) moeten worden vernietigd, alleen al omdat het in rekening gebrachte bedrag hangende het bezwaar is verlaagd tot € 3.160,57 en daarmee in het besluit op bezwaar geen rekening is gehouden. De rechtbank had daarom het college ook moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van het beroep. Verder zijn zij het niet eens met wat de rechtbank onder 5.2 en 5.3 van de uitspraak heeft overwogen over de onderbouwing van de arbeidskosten en de kosten voor de inzet van materieel. Ook is de rechtbank volgens hen ten onrechte niet ingegaan op hun betoog dat er een onjuistheid staat vermeld in de Excel-bestanden die het college ter onderbouwing van de kosten aan hen heeft doen toekomen.
3. De Afdeling zal eerst beoordelen of de beslissing tot kostenverhaal een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De Afdeling gaat daarna in op de behandeling van deze gronden in hoger beroep.
4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Is sprake van een besluit als bedoeld in de Awb?
5. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een rechtshandeling publiekrechtelijk als zij gebaseerd is op een publiekrechtelijke grondslag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3868. Daarvoor is in de regel nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift.
5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het hier gaat om een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De publiekrechtelijke grondslag voor de bij besluit van 11 oktober 2023 in rekening gebrachte kosten voor het meevoeren en opslaan van de inboedel van een ontruimde woning ligt in artikel 556, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
In de memorie van toelichting bij deze bepaling (Kamerstukken II 2021/22, 36 003, nr. 3, p. 10, onderdeel H) is onder andere het volgende opgenomen:
"Bij de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht is een amendement aanvaard tot wijziging van artikel 556 Rv (Kamerstukken II 2019/20, 35 225, nr. 19). Het wetsvoorstel is inmiddels tot wet verheven en in het Staatsblad gepubliceerd (Wet van 3 juni 2020, Stb. 2020, 177). Als gevolg van het amendement is aan artikel 556 Rv een derde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de gemeente bij een woningontruiming ten laste van de executant (de schuldeiser) zorg draagt voor meevoeren en het opslaan van de tot bewoning bestemde ontruimde zaken met toepassing van de artikelen 5:29 en 5:30 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De kosten daarvan kunnen worden doorberekend aan de schuldeiser, die de kosten op zijn beurt weer kan verhalen op de schuldenaar. Indien de gemeente de kosten verhaalt op de schuldeiser, is er sprake van een bestuursrechtelijke geldschuld als bedoeld in artikel 4:85 Awb. De schuld vloeit immers voort uit een wettelijk voorschrift, dat een verplichting tot betaling aan een bestuursorgaan regelt, te weten artikel 556, derde lid, Rv. Doordat sprake is van een bestuursrechtelijke geldsom is titel 4.4 Awb op de rechtsverhouding van toepassing."
5.2. Het kostenverhaal door het college op de executant is dus een bestuursrechtelijke geldschuld als bedoeld in artikel 4:85 van de Awb. Op grond van artikel 4:86, eerste lid, van de Awb wordt de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking vastgesteld.
Is het besluit op bezwaar gebrekkig?
6. [appellanten] voeren aan dat in het besluit op bezwaar van 15 december 2023 hun bezwaar tegen een besluit met een bedrag van € 3.507,07 ongegrond is verklaard en dat dit besluit in stand is gelaten. Weliswaar is de rechtbank, in navolging van wat zij in hun beroepschrift hebben aangevoerd, uitgegaan van een bedrag van € 3.160,57, maar ondanks deze wijziging heeft de rechtbank ten onrechte hun beroep niet gegrond verklaard en het besluit op bezwaar niet deels vernietigd. Ook had de rechtbank volgens [appellanten] het college moeten opdragen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
6.1. In het besluit op bezwaar staat onder meer het volgende: "Naar aanleiding van dit bezwaar is het besluit van 18 mei 2023 ingetrokken en vervangen door het besluit van 10 oktober 2023, waarbij het bedrag is teruggebracht tot € 3.507,07. Uw bezwaar wordt mede geacht te zijn gericht tegen dit laatste besluit." Vervolgens staat er onder het kopje "Beslissing op bezwaar" het volgende: "Wij verklaren uw bezwaarschrift tegen de besluiten van en 10 oktober 2023 ongegrond. Het bestreden besluit wordt daarmee in stand gelaten."
Op de zitting bij de Afdeling is aan de orde geweest dat in het besluit op bezwaar de datum van het laatste herziene besluit en de hoogte van het bedrag van de kosten die bij [appellanten] in rekening worden gebracht niet juist zijn weergegeven. Met partijen is vastgesteld dat het college bedoeld heeft het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2023, waarin het bedrag is teruggebracht tot € 3.160,57, ongegrond te verklaren. De rechtbank is weliswaar in haar uitspraak ook van dit besluit en dit bedrag uitgegaan, maar de Afdeling is het met [appellanten] eens dat de rechtbank had moeten constateren dat het besluit op bezwaar in ieder geval op deze punten onzorgvuldig is genomen. Dit is een gebrek in het besluit op bezwaar.
Het betoog slaagt. De Afdeling gaat hierna onder 9 in op de gevolgen van deze onzorgvuldigheden in het besluit op bezwaar.
Zijn er (arbeids)kosten en kosten voor materieel dubbel gerekend?
7. [appellanten] voeren aan dat zij op 18 oktober 2023 een e-mail hebben ontvangen van Schuttenhelm, een medewerker van de gemeente, met daarbij een specificatie van de kosten. In de specificatie staat dat in de kosten van het afstorten ook de arbeidskosten en de kosten voor het materieel zitten. Met verwijzing hiernaar voeren [appellanten] aan dat er kosten dubbel zijn berekend.
[appellanten] voeren aan dat zij er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat de informatie die staat in de specificatie van de kosten, die door Schuttenhelm is gemaild, juist is. Dat betekent dat de arbeidskosten en de kosten voor inzet van materieel in de kiloprijs zijn vervat en dus niet afzonderlijk nog in rekening mogen worden gebracht. Volgens [appellanten] mocht het college deze gegeven informatie in zijn besluit op bezwaar niet intrekken en enkel stellen dat die niet juist is. De rechtbank heeft dit volgens hen onder 5.2 en 5.3 van de uitspraak ten onrechte niet onderkend.
7.1. De rechtbank heeft onder 5.2 en 5.3 geoordeeld dat Okx niet aannemelijk heeft gemaakt dat er kosten dubbel zijn berekend. De Afdeling ziet in wat [appellanten] hebben aangevoerd geen grond om de rechtbank niet te volgen. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Wat er in de door [appellanten] bedoelde specificatie van de kosten staat, kan niet worden gekwalificeerd als een toezegging waaruit [appellanten] redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat het college, naast de stortkosten per kilo, geen afzonderlijke kosten voor arbeid en inzet van materieel in rekening zal brengen. Die kosten zijn gemaakt en meegenomen in de hoogte van de in rekening gebrachte kosten in het besluit van 11 oktober 2023. Dat na dit besluit (aanvankelijk) door een medewerker van de gemeente een verkeerde uitleg is gegeven over de opbouw van de in rekening gebrachte kosten, betekent dan ook niet dat die kosten ten onrechte in rekening zijn gebracht.
Het betoog slaagt niet.
Staat er een onjuistheid in de Excel-bestanden en zo ja, wat zijn de gevolgen daarvan?
8. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank ten onrechte niet op hun beroepsgrond is ingegaan dat er een absolute onmogelijkheid staat in de Excel-bestanden, waarin de kosten zijn opgenomen. In de Excel-bestanden "kosten na uitvoer ontruiming" en "fictieve tussenberekening" wordt gesproken over "totaal kosten opslag tot en met 16 november". Dit is echter volgens hen onmogelijk, aangezien pas op 23 november 2022 de aanmelding tot ontruiming door de gerechtsdeurwaarder is gedaan aan de gemeente.
8.1. De rechtbank is inderdaad niet expliciet op deze beroepsgrond ingegaan. Dit leidt echter, gelet op het navolgende, niet tot het door [appellanten] gewenste doel. De door [appellanten] genoemde Excel-bestanden bevatten tussentijdse berekeningen van de kosten van de ontruiming en de opslag van de inboedel, uitgaande van een week opslag en van tien weken opslag. Daarop staat als omschrijving inderdaad "totaal kosten opslag tot en met 16 november". In het besluit op bezwaar heeft het college deze onjuistheid in die Excel-bestanden onderkend en gesteld dat [appellanten] daardoor niet in hun belangen geschaad. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om daar anders over te oordelen. In het Excel-bestand van de eindcalculatie van de in rekening gebrachte kosten is die datum niet vermeld. Verder is niet gebleken dat de onjuiste vermelding van de datum van 16 november in de Excel-bestanden van de tussentijdse berekeningen relevant is geweest voor het bepalen van de hoogte van de kosten die bij besluit van 11 oktober 2023 in rekening zijn gebracht. Daarbij is uitgegaan van de kosten van de opslag van de inboedel voor de duur van twee weken.
Het betoog slaagt niet.
Wat zijn de gevolgen van de onzorgvuldigheden in het besluit op bezwaar?
9. Gelet op wat hiervoor onder 6.1 is overwogen, slaagt het betoog van [appellanten] dat in het besluit op bezwaar niet is uitgegaan van het bedrag van € 3.160,57, zoals dat gewijzigd is vastgesteld bij besluit van 11 oktober 2023. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep en een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Naar het oordeel van de Afdeling zijn [appellanten] niet benadeeld door de hiervoor omschreven onzorgvuldigheden in het besluit op bezwaar. Mede in het licht van wat tussen partijen voorafgaand aan het besluit op bezwaar, in beroep en in hoger beroep is gewisseld kan het besluit op bezwaar niet anders worden begrepen dan dat bedoeld is het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2023, waarbij de kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 3.160,57, ongegrond te verklaren. Dit is op de zitting ook bevestigd. De Afdeling zal dit gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Conclusie en proceskosten
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. Dit betekent dat [appellanten] een bedrag van € 3.160,57 aan het college moeten betalen.
11. Het college moet de proceskosten in beroep en hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2025 in zaak nr. 24/300;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 115,92, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellanten] het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Alderlieste
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
590
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
[…]."
Artikel 4:85
"1. Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:
a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of
b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.
2. Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling van een geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag.
3. Deze titel is niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd."
Artikel 4:86
"1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. de te betalen geldsom;
b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden."
Artikel 6:22
"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."
Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
Artikel 556
[…]
"3. Het college van burgemeester en wethouders draagt ten laste van de executant zorg voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de tot bewoning bestemde ontruimde onroerende zaak bevonden. Zaken waarvan redelijkerwijs aangenomen mag worden dat de rechthebbende daar geen belang bij heeft, kunnen terstond worden afgevoerd en vernietigd. De artikelen 5:29 en 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van betaling binnen de door het college gestelde termijn, kan het college het verschuldigde bedrag van de executant invorderen bij dwangbevel."