Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.000504

Uitspraak BRS.25.000504

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4518
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.000504
ECLI:NL:RVS:2026:4518
Datum uitspraak: 4 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2025 in zaak nr. NL23.31726 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het gaat om de daarin vermelde geboortedatum, en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt waarin hij de geboortedatum [geboortedatum] 2005 vermeldt.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft, vertegenwoordigd door mr. W.A. Berghuis, advocaat in Dordrecht, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.        Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

1.1.        Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 30 januari 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister is in het besluit van 9 februari 2024 echter uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum] 2001. De minister is er dus van uitgegaan dat betrokkene meerderjarig was ten tijde van de aanvraag en niet minderjarig, zoals betrokkene stelt. De rechtbank heeft de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen waarin hij de geboortedatum [geboortedatum] 2005 moet vermelden.

Deze uitspraak gaat alleen nog over de vraag van welke geboortedatum de minister heeft moeten uitgaan. De Afdeling komt hierna tot het oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat minister het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd en dat de rechtbank niet ten onrechte de geboortedatum op [geboortedatum] 2005 heeft vastgesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2.        De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, overwogen dat de minister met meer bewijs moet komen om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de verklaring van betrokkene waarom hij zich in Italië met een meerderjarige leeftijd heeft laten registreren, namelijk om te kunnen doorreizen, plausibel vindt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verwijzing van de minister naar het onderzoek van Bureau Documenten van de door betrokkene overgelegde taskera en naar de verklaringen van betrokkene over zijn schoolgang, het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze heeft weggenomen. Volgens de rechtbank kan betrokkene met de overgelegde taskera weliswaar niet zijn minderjarigheid aannemelijk maken, maar zegt de conclusie van Bureau Documenten over de overgelegde taskera ook niet dat betrokkene meerderjarig is. De minister is dan ook ten onrechte uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum] 2001. De rechtbank heeft vervolgens de geboortedatum van betrokkene vastgesteld op [geboortedatum] 2005 en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt waarin hij deze geboortedatum vermeldt.

Hoger beroep

3.        De minister richt zijn enige grief tegen het oordeel van de rechtbank dat hij het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd. Daarbij klaagt de minister dat de rechtbank van een onjuist toetsingskader is uitgegaan en daarom ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Volgens hem volgt uit eerdergenoemde uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.1, dat het aan een vreemdeling is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken en betekent de tegemoetkoming in de bewijslast op grond van de samenwerkingsplicht bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet dat een gestelde minderjarige geen enkele inspanning hoeft te verrichten. Het is niet aan de minister om te bewijzen dat betrokkene meerderjarig is, zoals de rechtbank volgens de minister heeft verondersteld.

De minister wijst er verder op dat hij alle feiten en omstandigheden moet meewegen bij zijn beoordeling van de leeftijd van betrokkene en deugdelijk moet motiveren waarom hij betrokkene niet het voordeel van de twijfel geeft. Dat heeft hij in het geval van betrokkene volgens hem in overeenstemming met de uitspraak van 9 oktober 2024 gedaan. Dat hij de verklaring over waarom betrokkene in Italië een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven plausibel vindt, betekent nog niet dat hij betrokkene zonder meer het voordeel van de twijfel moet geven. Hij wijst er onder verwijzing naar het verweerschrift in beroep op dat hij veel gewicht toekent aan de onderzoeksresultaten van de door betrokkene overgelegde taskera waarin Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat die hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en/of afgegeven. Hij weegt dat in het nadeel van betrokkene mee, ook omdat betrokkene is blijven volhouden dat de taskera een authentiek document is. Verder weegt hij in het nadeel van betrokkene mee dat hij volgens hem tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboortedatum. Hij betoogt tot slot dat de rechtbank teveel gewicht heeft toegekend aan de conclusie van de leeftijdsschouw van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). De rechtbank heeft daarom volgens de minister ten onrechte overwogen dat hij het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd.

Toetsingskader

3.1.        De minister wijst er terecht op dat uit de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.1, volgt dat het in beginsel aan een vreemdeling is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Het is niet aan de minister om te bewijzen dat betrokkene meerderjarig is. Dit laat onverlet dat de minister, omdat asielzoekers zich vaker dan andere vreemdelingen in een moeilijke bewijspositie bevinden, vreemdelingen op grond van de samenwerkingsplicht bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn in de bewijslast moet tegemoetkomen. Uit de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.2, volgt daarom dat de minister moet uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als een vreemdeling dat stelt en daarover twijfel bestaat. Omdat betrokkene ten tijde van zijn asielaanvraag heeft gesteld dat hij minderjarig is en de minister daarover twijfelt, moet de minister daarom uitgaan van het vermoeden van minderjarigheid van betrokkene. Het was vervolgens aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. Verder volgt uit de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.3, dat de minister alle feiten en omstandigheden moet meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister zal steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. De Afdeling is van oordeel dat de minister dat in dit geval niet heeft gedaan en legt dat hierna uit.

Verklaringen

3.2.        De rechtbank heeft terecht overwogen dat betrokkene tijdens de gehoren in Nederland niet tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboortedatum. Het standpunt van de minister dat betrokkene hierover wel tegenstrijdig heeft verklaard, omdat hij acht jaar naar school zou zijn geweest en dat voor het laatst in 2017 in plaats van in 2020 moet zijn geweest, als betrokkene geboren is op [geboortedatum] 2005, volgt de Afdeling niet. Betrokkene heeft namelijk in het aanmeldgehoor verklaard dat hij vanaf zijn zevende of achtste naar school is gegaan. Als betrokkene geboren is op [geboortedatum] 2005, dan zou hij tot 2020 of 2021 naar school zijn gegaan en niet tot 2017 zoals de minister stelt. Dat komt overeen met de verklaring dat hij, ten tijde van het aanmeldgehoor op 1 februari 2021, tot het jaar daarvoor naar school is geweest toen de coronapandemie uitbrak.

De minister wijst er verder op dat betrokkene ook tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom hij is gestopt met school, maar licht niet toe waarom de verklaringen van betrokkene over zijn leeftijd om die reden niet geloofwaardig zijn. De Afdeling ziet daarom net als de rechtbank in de verklaringen van betrokkene over zijn gestelde leeftijd geen tegenstrijdigheden. Het betoog van de minister slaagt niet.

Overgelegde taskera

3.3.        De Koninklijke Marechaussee heeft in een proces-verbaal van 30 maart 2021 vastgesteld dat de door betrokkene overgelegde taskera vals is. Betrokkene heeft vervolgens ten tijde van de Dublinprocedure de Afghaanse ambassade verzocht om verificatie van zijn identiteit en de toen door de Afghaanse ambassade afgegeven verklaring van identiteit van 26 mei 2021 aan de minister overgelegd. De voorzieningenrechter van de rechtbank in de Dublinprocedure heeft bij uitspraak van 11 juni 2021 betrokkene opgedragen om zich tot de Afghaanse ambassade te wenden om te verifiëren op welke informatie de ambassade de afgegeven verklaring van identiteit heeft gebaseerd. Daar heeft betrokkene gehoor aan gegeven. De Afghaanse ambassade heeft in een verklaring van 1 juli 2021 toegelicht dat zij de verklaring van identiteit heeft gebaseerd op de taskera en verklaringen van betrokkene. Op verzoek van de minister heeft Bureau Documenten een weerwoord opgesteld naar aanleiding van de verklaring van de ambassade van 1 juli 2021 en de eerder overgelegde taskera onderzocht. In dat weerwoord van 7 juli 2021 staat dat de door betrokkene overgelegde taskera hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en/of afgegeven. De minister wijst in zijn hogerberoepschrift op deze onderzoeksresultaten van Bureau Documenten.

3.4.        Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de taskera niet echt is, heeft de minister volstaan met een verwijzing naar de onderzoeksresultaten van de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten. Uit de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.3, volgt dat, als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, de minister moet informeren onder welke omstandigheden de vreemdeling deze verklaring heeft afgelegd. Omdat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat hij de verklaring over waarom betrokkene een andere geboortedatum in Italië heeft opgegeven plausibel vindt, is de verwijzing naar de onderzoeksresultaten van de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten in dit geval niet voldoende om de gestelde minderjarigheid van betrokkene te ontzenuwen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan betrokkene met de overgelegde taskera weliswaar niet zijn minderjarigheid aannemelijk maken, maar zegt de conclusie van de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten over de overgelegde taskera ook niet dat betrokkene meerderjarig is. De Afdeling is daarom van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de verwijzing van de minister naar de onderzoeksresultaten van de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten in dit geval niet voldoende bijdraagt aan het ontzenuwen van de gestelde minderjarigheid van betrokkene.

Leeftijdsschouw

3.5.        De minister draagt het betoog over de conclusie van de leeftijdsschouw van de AVIM op zichzelf terecht voor, omdat de leeftijdsschouw alleen een middel is om te beoordelen of twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en om aan de hand daarvan te bepalen of aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek te verrichten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 10.2. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat de Afdeling onder 3.2 tot en met 3.4 heeft overwogen, heeft de rechtbank namelijk terecht geoordeeld dat de minister de gestelde minderjarigheid van betrokkene niet heeft ontzenuwd.

Zelf vaststellen van de geboortedatum

4.        Het betoog van de minister dat de rechtbank ten onrechte de geboortedatum van betrokkene heeft vastgesteld op [geboortedatum] 2005, slaagt ook niet. Het geschil over de geboortedatum van betrokkene loopt al vanaf 2021. De rechtbank heeft, de hier bestreden uitspraak meegerekend, al twee keer geoordeeld dat de minister niet zonder meer van de in Italië opgegeven meerderjarige leeftijd mag uitgaan. De rechtbank heeft daarom terecht gewezen op het tijdsverloop als argument om de leeftijd vast te stellen op [geboortedatum] 2005. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:895, onder 3.1. De Afdeling begrijpt de rechtbank daarbij zo dat zij de overtuiging heeft dat de minister niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen wanneer hij een nieuw besluit neemt. De rechtbank heeft daarom mogen bepalen dat de minister bij het nemen van dat nieuwe besluit moet uitgaan van de opgegeven geboortedatum.

5.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

6.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.

w.g. Van Breda
voorzitter

w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026

716-1078


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon